Heilige organen van het oude Egypte

Door Redactie - In: - 19 februari 2017

Tekst: Petra Essink | Foto: Nina Aldin Thune


Wat hebben organen en het oude Egypte met elkaar te maken?
In aanvulling op het artikel over orgaandonatie in het winternummer van Stroom 2017, hieronder enkele ‘antroposofische weetjes’ over de bijzondere relatie die de oude Egyptenaren hadden met de menselijke organen.
Inzichten die mogelijk kunnen helpen ietsje meer helderheid te krijgen rondom één van de ingewikkelde dilemma’s van onze tijd – wel of geen orgaandonor worden?-.

Heilige organen van het oude Egypte

Het is algemeen bekend dat in Egypte in vroegere tijden Farao’s en andere vooraanstaande personen werden gebalsemd en gemummificeerd. De ‘overblijfselen’ van die mummies zijn nog steeds intact en zodoende een grote bron van historische kennis.  Dit specialistische conserverings-werk werd heel kundig uitgevoerd door de zogenaamde taricheuten uit die tijd, die onder leiding stonden van een archentafiant, ofwel ‘hoofd van de geheimen’. Waarom deden de Egyptenaren dat eigenlijk? En hoe precies?

De vier zonen van Horus

Rond de organen van de overledene bestond een ware cultus in het oude Egypte. Na de dood werden de organen verwijderd en bewaard in canopen (kleine kruikjes), die de mummie vergezelden in het graf in de piramide. Alleen het hart en de nieren werden niet verwijderd, vanuit de overtuiging dat hierin de ziel woonde. Bijzonder is dat ook de darmen als een apart orgaan werden beschouwd, net zoals dat nu in de biodynamische landbouw het geval is. Op het deksel van iedere canope stond een beeltenis van één van de vier zonen van de god Horus: de man, de jakhals, de baviaan en de havik. De vier verwijderde organen, de lever, de maag, de darmen en de longen, werden ook in verband gebracht met de vier windrichtingen.

Het uitgangspunt voor deze gewoonte was het oude spirituele gegeven dat organen geheugendragers zijn en ‘ervaringen van de ziel’ bevatten. Vanuit de antroposofie is bekend dat in de eerste dagen na de dood het zogenaamde etherlichaam (het geheel aan levenskrachten die zorgen voor groei, voortplanting, vorm en samenhang) zich losmaakt van het fysieke lichaam. In de Egyptische tijd wist men al dat balsemen en mummificeren dit loslatingsproces verhinderen. En dat had niet alleen tot gevolg dat het lichaam (en de organen) intact bleef. Ook de ziel van de overledene bleef daardoor gedeeltelijk gekluisterd aan de aarde, was het idee.

Godenschemering

En dit was precies de bedoeling! De Egyptische tijd, grofweg van 3000 tot 700 voor Christus, was namelijk een tijd was waarin mensen langzaam het rechtstreekse contact met de godenwereld kwijtraakten. Daarom wordt deze tijd in ook wel de godenschemering genoemd. De helderziende verbinding met de geestelijke wereld, die in oude tijden voor iedereen vanzelfsprekend was, ging stap voor stap verloren. Een noodzakelijk gebeuren volgens Rudolf Steiner, bedoeld om ons, uiteindelijk, tot bewuste en zelfstandige denkende mensen te laten worden.

Er wordt verteld dat in die tijd alleen de Farao’s nog in rechtstreeks contact konden staan met de geestelijke wereld, en wel via ‘de zielen van hun overleden voorgangers’. Het was daarom van belang dat die ‘dichtbij’ de aarde bleven. Het geheim achter de mummificering en het prepareren van de organen is dat de overledenen als ‘antennes’ werden voor de nog levende Farao’s. De gestorvene, wiens ziel nog verbonden was met het gemummificeerde lichaam, werd een kanaal, waardoorheen goddelijke wijsheid stroomde die de Farao’s hielp regeren.

De mummificering had, zo wordt beschreven, echter grote gevolgen voor de gestorvene: die kon niet meer opklimmen tot in de hogere geestelijke werelden. Zijn/haar aandacht werd in versterkte mate gericht op de aardse wereld. Er wordt ook nog vermeld dat bij een wedergeboorte op aarde die sterke aardegerichtheid (en desinteresse voor het geestelijke) bij deze personen nog steeds als karaktereigenschap aanwezig is.

Nieuw licht op de zaak

Mummificeren en de omgang met organen als waren ze heilig is allang niet meer van deze tijd. Maar de mogelijkheden van onze chirurgie en de kundigheid van de chirurgen van de 21e eeuw bereikte de grootste hoogte tot nu toe in de geschiedenis. Wij geloven niet meer in de bezieling van organen en gebruiken geen kruiken meer om ze in te ‘bewaren’, maar plaatsen ze wel, uiterst ingenieus, in de lichamen van nog levende mensen.

De antroposofie biedt een heel eigen manier om naar de geschiedenis te kijken. Namelijk met een blik waarin de bewustzijnsontwikkeling centraal staat. Hiertoe worden enkele cultuurperiodes beschreven, te weten: het oer-Indische tijdperk (vanaf plm. 10.000 v.Chr.), het oer-Perzische tijdperk (van plm. 7000 v Chr.), het Egyptische tijdperk (vanaf plm. 3000 v Chr.), de Griekse tijd (van plm. 700 voor Chr.) en onze Europese tijd, vanaf ongeveer 1600. Steiner beschrijft dat er uitgaande van het jaar 0, de geboorte van Christus, een spiegeling optreedt tussen die cultuurperioden. Onze huidige tijd kun je op die manier zien als een ‘reflectie’ van de Egyptische tijd. Vanuit ons hedendaagse vertrekpunt van een behoorlijk eenzijdig materialistisch (in)gerichte wereld, kunnen we met behulp van ons moderne individuele bewustzijn op een heel nieuwe manier wakker worden voor ‘geestelijke waarheden’, die al lang niet meer zijn voorbehouden aan Farao’s of andere gezagsdragers. Een soort omgekeerde godenschemering. Misschien is het, als je ervan uitgaat dat organen meer zijn dan enkel materie en dat ze misschien zelfs wel ‘bezield’ zijn, niet zo gek om in ieder geval de vraag te stellen: hoe is het voor een gestorvene om, gedeeltelijk, in een lichaam op aarde voort te leven?


Bronnen:

  • Egyptische Mythen en Mysteriën Rudolf Steiner, uitgeverij Christofoor.
  • Die Grundimpulse des weltgeschichtlichen Werdens des Menschheit, GA 216, 5e voordracht.

Nog geen reacties

    Login om te reageren op dit artikel

    Wachtwoord vergeten

    Geen account?

    Om te reageren op artikelen dient u een account te hebben. U kunt zich gratis aanmelden gast.