Wat je voor je tanden en kiezen krijgt

Door Redactie - In: tandheelkunde, therapie - 1 januari 2014

Interview met tandarts Peter Borm | Tekst I Michel Gastkemper   Fotografie I Heidi Arts


‘De mond is een unieke binnenruimte’, zegt tandarts Peter Borm. ‘Een binnenruimte waarvan wij ons gewoonlijk veel te weinig bewust zijn. We merken die pas echt op, als er iets niet goed is in onze mond, vooral met de tanden en kiezen.’

Wie kent niet het schrikbeeld van een tandartsbezoek als er iets mis is, en van liever niet willen gaan vanwege wat er gedaan moet worden? Juist daarom kan de rol die de tandarts speelt niet genoeg benadrukt worden. En niet alleen om problemen op te lossen, maar vooral om die te voorkomen. Dat begint al bij jonge kinderen, die vertrouwd zouden moeten raken met een aardige tandarts die hen geen kwaad doet. Een tandarts die hen helpt in het thuisraken in dat gebied waarvan zij zelf vrijwel niets zien. Voorkomen is immers beter dan herstellen.

Wat je voor je tanden en kiezen krijgt

Antroposofisch tandarts Peter Borm: “Als je erover gaat nadenken blijf je je verbazen, wat er allemaal verbonden is met mond en gebit.”

Schors van de paardenkastanje

Peter Borm is al bijna veertig jaar tandarts, met een praktijk in Arnhem, ‘Aesculus Cortex’ geheten, wat de Latijnse naam is voor de boomschors van de paardenkastanje. Aesculus Cortex is een geneesmiddel dat Rudolf Steiner adviseerde voor de behandeling van cariës. Het is een uit de natuur gewonnen middel. Natuurlijk materiaal kom je ook veel tegen als je het trappetje afloopt naar de praktijkruimte onder het woonhuis. Het hout, de steen, de lemen muren zijn allemaal natuurlijk materiaal, maar ook de inrichting, de vormen en de architectuur maken een natuurlijke indruk. Terwijl het tandartsberoep een wel heel technische omgeving vereist, met alle instrumenten en apparatuur. Met navenant strenge eisen op het gebied van hygiëne en veiligheid. Dat is hier allemaal goed verzorgd, alle goedkeuringen zijn er. Maar tegelijkertijd is er dat extra verzorgde en duurzame element, waar Borm terecht trots op is. Hij heeft zelfs een lak gevonden voor het hout waar de gevreesde MSRA-bacterie geen vat op heeft. Terwijl deze bacterie wel op kunststof kan blijven leven.

De hele praktijkruimte, met een aantal kamers waar in totaal negen mensen werkzaam zijn, is vormgegeven als een goed verzorgde binnenruimte. Wat valt er veel te vertellen over de mond! Borm doet dat met verve. Zijn enthousiasme voor zijn werk, voor zijn beroep, weet hij goed over te brengen.

Het gebit als fundament

Peter Borm: ‘Het gebit is iets heel fundamenteels, iets waarop je je hele leven staat, in figuurlijke zin dan. Er verandert maar heel weinig aan gedurende het leven, en het verschijnt vrijwel kant-en-klaar, als het ware in één keer. En het melkgebit van een kind dan?, zou men kunnen tegenwerpen. Want dat is toch een fase die iedereen moet doorlopen en die je met een jaar of zeven achter je begint te laten? Dat klopt. Maar achter het melkgebit zit in aanleg het uiteindelijke gebit al, het moet alleen nog tevoorschijn komen. Dat verschijnen van het nieuwe, eigen gebit is niet afgesloten bij het schoolrijp worden, maar gaat daarna door met de tweede wisselfase rond het tiende jaar, terwijl de vier verstandskiezen pas doorkomen vanaf achttien jaar. De laatste verstandskies kan zelfs nog tien jaar later tevoorschijn komen, zodat de gehele uitrijping van het eigen gebit pas tegen de leeftijd van 28 jaar is afgerond.’

‘Het komt erop aan het gebit vanuit de beweging op te bouwen en vorm te geven. Hierbij is euritmietherapie vaak onontbeerlijk.’ Borm komt weer terug op die binnenruimte. Hij betitelt de mond als het eerste en eigenlijke ‘holletje’ van een mens, waar hij leeft op de manier die bij hem past. ‘Je wordt je pas bewust van een buitenruimte, als je ook een eigen binnenruimte hebt. Vandaar dat de wisselwerking tussen binnen en buiten zo sterk speelt bij de mond. Niet alleen het opnemen en verteren van voedsel, voor de letterlijke stofwisseling die het leven mogelijk maakt, maar ook het ervaren en verwerken van het leven als zodanig.’

Het leven voor je kiezen krijgen

‘Je krijgt je leven immers voor je kiezen’, Borm zegt het met een glimlach. ‘Het is het levenslot dat je op je weg in het leven tegenkomt. Het is niet voor niets dat hierbij de kiezen worden genoemd.’ Hij voegt eraan toe dat je ‘je tanden daarin zult moeten zetten. Dat is de eigen biografie van je leven, die ieder mens schrijft. Daarbij moet je je vastbijten in wat het lot je brengt, om iets van je leven te maken. Hierbij zijn het de tanden die een voortrekkersrol hebben.’ Nogal fundamenteel dus, die tanden en kiezen. ‘Daarom moeten tanden en kiezen goed op elkaar staan en afgestemd zijn, om dit werk te kunnen verrichten. En als je vervolgens ‘je hart op de tong hebt’, dan treedt er een wisselwerking op met de omgeving die nog sterker is. Waarbij het gelegde verband tussen tong en hart opvallend is. Die relatie spiegelt het intieme karakter van wat binnenin een mens leeft. Dat innerlijk treedt in een van de meest menselijke vermogens, namelijk het spreken (ook een functie van de mond!), naar buiten.’

Als je erover gaat nadenken, blijf je je verbazen wat er allemaal verbonden is met de mond en het gebit. Zoals de halfronde vorm van het melkgebit, als een cirkel die halverwege is omgeklapt, met een middelpunt binnenin de mond, Borm noemt het een ‘ik-punt’. Die vorm maakt in het volwassen gebit plaats voor de ellipsvorm van de bovenkaak en de hyperbool van de onderkaak waarvan het middelpunt ver weg in de wijde ruimte ligt.

Het melkgebit dat een mens van zijn ouders cadeau krijgt, is als een model dat nagevolgd kan worden, dat als voorbeeld dient. Daarnaar vormt het zijn eigen gebit, gelijkend of juist niet gelijkend, maar wel helemaal eigen. Waar komt die vorm dan vandaan? Weer komt Borm te spreken over het unieke karakter van het eigen gebit, ook binnen het lichaam.

Het lichaamsdeel met de grootste hardheid

‘De oorsprong van vorm ligt altijd in beweging, in een beweging die vaste vorm heeft gekregen. Er is geen vastere, hardere vorm in het lichaam dan een gebit. Welke beweging moet dat dan geweest zijn? Het is alsof die vorm al is meegegeven bij de embryonale vorming. Dat zou betekenen dat die er al vóór de geboorte was. Als je bedenkt hoezeer het gebit het individu tekent, er zijn geen twee gebitten hetzelfde, dan is dit gegeven zeer bepalend voor het individu dat een mens is of nog aan het worden is. Het gebit is als het ware uitdrukking van het lot dat een mens toevalt. Zo gedacht zijn het de lotgevallen die eerder zijn opgedaan, die de bewegingen vormen die ten grondslag liggen aan het huidige gebit. Dat vraagt van een tandarts om behoedzaam te opereren.’ Borm brengt het zorgvuldig onder woorden, tastend en zoekend.

Het is het vele onderzoek dat hij verricht heeft dat hem op deze gedachten brengt. Van veel patiënten heeft hij op verschillende tijdstippen in hun leven en tijdens de behandelingen gipsafdrukken van hun gebit gemaakt. Daarmee heeft hij de stadia van ontwikkeling en de invloed van zijn behandeling bijgehouden, en zo een archief opgebouwd met veel materiaal dat nader onderzoek verdient. Die ontwikkeling is bij kinderen het duidelijkst te zien, omdat die nog in de groeifase zitten. Maar ook bij volwassenen valt er veel af te leiden uit het materiaal dat hij heeft verzameld. Borm haalt een gipsafdruk tevoorschijn van een volwassen man, bij wie de tanden aan grote slijtage onderhevig waren. Over de hele breedte van het kauwvlak waren millimeters afgesleten, zodat de binnenruimte een flink stuk kleiner werd. De persoon in kwestie had nauwelijks in de gaten wat dit met hem deed. Maar toen Borm voorzichtig en met grote precisie, met behulp van zijn vaste tandtechnicus, de tanden van zijn patiënt weer verlengd had en daarmee de oorspronkelijke vorm had teruggegeven, ervoer deze dat hij ook weer innerlijk lucht en ruimte had gekregen. Hij had zich in lange tijd niet zo goed gevoeld.

Elk element in de mond spreekt

Het gaat er niet om ten koste van alles met technische hulpmiddelen tot gebitsregulatie te komen. Je moet zien uit te vinden wat bij iemand past. Dat vraagt een individuele behandeling en een fijngevoelig ingaan op de persoon en diens ontwikkeling. Wat bij iemand hoort, welke biografie deze persoon doormaakt. Dat te kunnen ‘lezen’, dat vormt voor Borm het specifiek antroposofische van zijn behandeling. Elk element in de mond spreekt tot hem en hij probeert te verstaan wat het hem wil zeggen. Zoals de 20 tanden en kiezen van het melkgebit en de 32 van het blijvende gebit, evenals ieder afzonderlijk stadium van hun ontwikkeling. Maar ook de twee bestanddelen van tanden en kiezen, tandbeen en tandglazuur. Het tandglazuur is het allerhardste element in het menselijk lichaam, qua hardheid gelijk aan kristal. Wonderbaarlijk om dit op deze plek aan te treffen: een kristal in je lichaam. Daarnaast is er de invloed van speeksel, hoe dat kan opbouwen of afbreken, ook bij keiharde tanden en kiezen, afhankelijk van de stoffen die in het speeksel worden opgenomen. Dat geeft een grote verantwoordelijkheid voor wat je in je mond neemt. Het speeksel vormt zich zelfs al als je alleen iets ziet of ruikt.

Dan is er het bijzondere van het kaakgewricht. De zuigreflex van een baby brengt een beweging op gang tussen tong en kaakgewricht. Dat zijn de bewegende delen van het hoofd, waarmee later ook bewust de klanken worden gemaakt om je als mens verstaanbaar te kunnen maken. De omsluiting van de mondholte met lippen en wangen. Het verhemelte en het achterste van de tong. Het speelt allemaal mee in de complexe binnenruimte die de mond is. Net zo complex als het beroep van tandarts, want dat spiegelt deze toestand. Borm heeft in zijn praktijk zijn eigen ‘binnenruimte’ geschapen, waar hij kan werken volgens zijn eigen maatstaven. Hij wordt dit jaar 65, maar hij heeft zijn patiënten laten weten nog niet te zullen stoppen en nog enkele jaren te willen doorgaan.

De waarde van de antroposofische tandarts

Peter Borm heeft zijn krachten gegeven aan de ontwikkeling van zijn beroep als antroposofisch tandarts. Maar er zijn er niet veel die hem op het moment kunnen opvolgen. Er zijn slechts vijf andere antroposofische tandartsen in Nederland, sommige nog beginnend, en dat is niet veel. Hijzelf werkt nauw samen met antroposofisch consultatief arts René Slot uit Deventer, die ook in Zwolle en Arnhem werkzaam is. Hij vindt dat een voorwaarde om zijn werk goed te kunnen doen. Want de medische kennis staat aan de basis van zowel de huisarts als de tandarts. In Nederland bestaat geen opleiding zoals die in Duitsland voor ‘Anthroposophischer Zahnarzt’, een internationale opleiding waaraan hij als docent verbonden is. Toch heeft hij hoop dat meer mensen de waarde van het antroposofische tandartsenberoep gaan inzien en zich daarin willen bekwamen. Want het is zonde als alle kennis die hij en anderen hebben opgebouwd, verloren zou gaan. Zo hoopt hij nog altijd een keer een studie te kunnen publiceren op basis van de vele voorbeelden die hij in zijn lange werkleven heeft verzameld. Zodat zijn onderzoek en de resultaten voor een nieuwe generatie behouden blijven.


s I    www.tandartsborm.nl