Lyda Keizer-Wingelaar
Kijken is een actief gebeuren, het oog is een heel beweeglijk zintuig. Als je van iets letterlijk een goed beeld wilt krijgen worden de ogen niet alleen scherp gesteld, ze bewegen ook sterk en zelfs het lichaam komt daarbij in actie. Bij tv-kijken echter blijft alles statisch, het lichaam is roerloos, het lijkt wel of het oog vastkleeft aan het scherm, de blik blijft als het ware 'bevroren' aan het beeld hangen. Je zou kunnen zeggen dat dit komt omdat de beweeglijkheid die nodig is om iets te kunnen bekijken is overgenomen door degene die de camera hanteert. Het lijkt of je zelf de opeenvolgende beelden waarneemt, maar dat is overgenomen van een ander die het echte werk heeft gedaan.
Het enige wat de tv-kijker hoeft te doen is naar het scherm te kijken om de beweging, in een beperkt oppervlak en op steeds dezelfde afstand, te volgen. Grotendeels passief gebruik van de ogen dus, in plaats van het natuurlijke actieve gebruik. Hierdoor ontwikkelt het oog zich niet, het gaat zelfs achteruit. Denk maar eens aan wat er gebeurt als je door ziekte een tijdje niet of nauwelijks gelopen hebt. Je spieren zijn slap geworden en je kunt in het begin nauwelijks op je benen staan. Dan gaat het in dat geval nog om spieren die al ontwikkeld zijn. Het is nog kwalijker als het gaat om organen waarvan de vorming nog niet is voltooid. Tot de puberteit zijn de ogen bij kinderen nog volop in ontwikkeling en verkeerd gebruik van de ogen is schadelijk voor die ontwikkeling. Zonder dogmatisch te zijn kan uit het voorafgaande geconcludeerd worden dat tv-kijken een verkeerd gebruik van de ogen is.
Daar komt nog bij dat de 'beelden' verslavend zijn. Neem de proef maar op de som: je zit voor de tv, je kijkt naar iets 'spannends' en iemand zegt iets tegen je, of de telefoon gaat en je neemt hem op. Je antwoordt automatisch en let eigenlijk niet op, want je blik blijft gewoon hangen. Niet erg bevorderlijk voor de communicatie dus. Tv-beelden fascineren en betoveren en doen passiviteit en stereotiepe oordelen ontstaan.
Tot het begin van de jaren zeventig vonden de programmamakers van de Duitse televisie dit medium totaal ongeschikt voor kinderen onder de acht en zij maakten dan ook geen speciale kinderprogramma's. Pas in 1973 begon men daar met het uitzenden van Sesamstraat. Sesamstraat wordt gezien als een educatief programma, waarin kinderen die nog niet leerplichtig zijn 'spelenderwijs' bijvoorbeeld rekenen leren. Maar daar zijn ze op die leeftijd nog helemaal niet aan toe. Ze moeten dat ook als ze zo jong zijn nog helemaal niet leren omdat de krachten die daarvoor nodig zijn, voor andere dingen beschikbaar moeten blijven. Men laat in zo'n programma kinderen leren door middel van prikkels en een reactie op die prikkels. Het kind wordt geconditioneerd. Het waarom wordt het kind niet duidelijk. Waarom papier in de prullenbak hoort, zoals bijvoorbeeld in een programma over opruimen wordt getoond, wordt niet begrepen. Het gevolg daarvan is dat in het kind de neiging wordt versterkt dingen automatisch te doen, zonder te weten waarom het precies zó moet. Ook is gebleken dat kinderen die veel naar Sesamstraat kijken veel minder bereid zijn zich bezig te houden met moeilijke opgaven.
In de Vrije Schoolpedagogiek wordt ervan uitgegaan dat de manier waarop jonge kinderen leren, vormend werkt voor hun hele verdere leven. Het idee is dat het denken zich ontwikkelt doordat het kind leert de samenhang tussen verschillende gebeurtenissen of verschijnselen te begrijpen. Intelligentie ontwikkelt zich slechts in zoverre als men zich van dergelijke samenhangen bewust wordt. Deze pedagogiek bevordert daarom de geestelijke ontwikkeling van het kind door het kind ertoe te brengen de innerlijke, wetmatige betrekkingen in een steeds bredere omvang te begrijpen
Steeds weer blijkt dat tv-kijken schoolprestaties zeker niet doet verbeteren maar in de regel juist verslechtert. Vastgesteld is dat veel tv-kijken samengaat met slechtere uitdrukkingsvaardigheid en het slechter kunnen lezen en rekenen.
Wat in ieder geval moet worden voorkomen is dat de tv als oppas dient. Tot zeven jaar zouden kinderen eigenlijk helemaal geen tv moeten kijken. De vaardigheid waarachtige voorstellingen of beelden uit de overvloed aan zintuiglijke prikkels te filtreren op basis van een zelfstandig voorstellingsvermogen, is bij het jonge kind nog niet ontwikkeld. Later moeten de kinderen genoeg eigenheid verworven hebben om de op hen af stormende belevenissen, beelden, indrukken en waarnemingen te verteren, om de aanval op de innerlijke waarnemingskracht aan te kunnen. Van zeven tot tien jaar kan selectief worden gekeken, waarbij de ouders goed moeten weten waarnaar gekeken wordt. Het beste is om met de kinderen mee te kijken en met ze over de programma's te praten. Vanaf tien jaar kan een kijkschema worden gehanteerd. En ook hier geldt: goed voorbeeld, doet goed volgen.
Bij tv-kijken verdwijnt de wil tot eigen activiteit, de fantasiekracht ontwikkelt zich onvoldoende, kinderen verleren het spelen, de interesse in creatieve bezigheden, als musiceren, gaat verloren. Daarom is het het beste als tussen tien en veertien jaar net zo veel tijd aan spelen en kunstzinnige bezigheden wordt besteed die waarnemingsvermogens intensiveren en creatieve vermogens verhogen, als aan tv-kijken (of computeren). Van zeven tot tien jaar zou dat spelen twee keer zo lang moeten zijn als tv-kijken. De vaardigheid tot innerlijke beoordeling wordt pas in de puberteit, zo tussen het twaalfde en zeventiende levensjaar, volledig verworven en moet dan nog verder worden onderhouden. Overigens kan dit vermogen tot oordelen in de volwassenheid weer verloren gaan als er onvoldoende geestelijke activiteit wordt ontwikkeld.
Eerste publicatie op 1 april 2005