Spelen de kinderen?

Lyda Keizer

“Terwijl de volwassen mens gewoonlijk meent dat hij ongelooflijk veel voor een kind kan betekenen, gaat het er juist om dat hij zo weinig mogelijk verstoort wat bij het kind naar buiten wil komen” – Rudolf Steiner

In deze tijd wordt van alle kanten aan kinderen getrokken. Ze moeten op muziekles, sporten, op clubjes, het lijkt wel of ouders voor hun kinderen net zo een drukke agenda willen als ze zelf hebben. Ook op school moet hard gebuffeld worden, van jongsafaan krijgen kinderen daar ‘spelletjes’ die in hoge mate tot doel hebben de intellectuele vermogens vroegtijdig te ontwikkelen. En dat terwijl echt spelen zo ontzettend belangrijk is. Juist in het echte, het vrije spel worden basisvaardigheden op het sociale, emotionele en motorische vlak ontwikkeld, vooral ook fantasiekrachten en daarmee de intelligentie. Schiller heeft het in zijn Esthetische brieven over de Spieltrieb, de behoefte tot spelen, die in elk mens aanwezig is en die de basis vormt van zijn creatief vermogen. Hij stelt dat de mens slechts speelt als hij waarachtig mens is en dat hij pas volledig mens is als hij speelt. Alleen al daaruit moge blijken dat de speelfase een waardevolle periode is, waarin idealiter opvoeding zou moeten wijken voor de creativiteit van het kind zelf. Het spel lijkt echter te verkommeren, zelfs bij heel jonge kinderen.

Het basisonderwijs begint op een leeftijd dat kinderen nog gewoon moeten kunnen kleuteren. Voor dat kleuteren wordt wel min of meer gelegenheid gegeven, maar er wordt tevens veel ‘leer’stof aangeboden. Er gaan zelfs stemmen op om vanaf heel jonge leeftijd cito-tests in te voeren, zodat bijtijds kan worden ‘ingegrepen’ als de kinderen een ‘achterstand’ lijken op te lopen. Het idee hierachter is dat iedereen gelijke kansen krijgt, er mag geen schijn zijn van discriminatie. Daardoor bestaat echter het grote gevaar dat niet wordt voorzien in de individuele behoefte van het kind. Sommige kinderen hebben het tenslotte nodig om langer te kleuteren. Weliswaar wordt er veel gesproken over ‘leren op maat’, maar de vraag is of daar in de praktijk veel van terechtkomt. Erkent men de speelfase van het kind als een van levensbelang zijnde onderzoeks- en ontdekkingsreis door avontuurlijke streken, dan moet men tot de conclusie komen dat het basisonderwijs zoals het nu wordt gegeven daarvoor een armetierig surrogaat is.

De leerplicht geldt vanaf vijf jaar, maar de meeste ouders laten hun kleuters met vier jaar naar school gaan. Bij deskundigen gaan zelfs stemmen op om de leerplichtige leeftijd verder te vervroegen. Men is bang dat sommige kinderen anders, als ze eenmaal op school komen, een te grote achterstand hebben. Zo wordt alles vastgelegd en is er geen ruimte voor een vrije ontwikkeling van het kind. Al heel vroeg krijgt het kind met een leerplan te maken, want er mag geen tijd verloren gaan, anders krijgt het later misschien geen baan.

Spelen zou het meest vrije moeten zijn dat bestaat. Opvoeden in de kleuterleeftijd zou er dus op gericht moeten zijn het spel aan te moedigen, achterwege te laten wat de vrijheid van het spel beknot en niet voor de bescherming van het kind nodig is. Dit wil zeggen dat alles wat het vermogen tot beleven van het kind stuurt, beïnvloedt en daardoor beperkt, zoveel mogelijk wordt vermeden. Spelen is voor het hele leven belangrijk, het helpt de wereld verkennen en bevordert de fantasie. Maar dan gaat het dus om het vrije spelen, het spel dat zich ontwikkelt uit de situatie, niet het voorgekauwde spelen. Spelen is eigenlijk de onderzoekende activiteit van een ik in ontwikkeling. Een kind presenteert zichzelf in zijn spel. Hij kan zo volledig in zijn spel opgaan dat hij niets van de omgeving merkt, hij ís dan zijn spel. Doen alsof, fantasiespel is een belangrijk onderdeel van het kinderspel. Kinderen leren daarbij dat bij het uitbeelden van een ander ook ander gedrag hoort. Kinderen met ontwikkelingsproblemen lijken hun verbeeldingskracht juist minder te kunnen aanspreken.

Spelletjes

Buiten spelen is steeds minder mogelijk vanwege allerlei, al dan niet imaginaire, gevaren. Boompje klimmen, slootje springen, waar kan dat nog? Als er al, bijvoorbeeld in parken, klimbomen zijn te vinden, blijken de onderste takken gesnoeid te zijn zodat je er niet bij kunt. Daarmee dreigt veel van de speloverdracht van kind op kind, de spelcultuur gescheiden van de volwassenencultuur, te verdwijnen. Het spelen in een gemeenschap die z’n eigen regels heeft, die niet door volwassenen wordt bestierd en waar kinderen stapsgewijs kunnen leren zich in die gemeenschap te gedragen, is onmisbaar voor de persoonsontwikkeling. Dat ze van elkaar spelletjes en spelregels leren, niet van de juf in het kinderdagverblijf of op school, maakt het voor kinderen mogelijk maatschappelijke vaardigheden te ontwikkelen en zich te meten met ‘gelijken’.

Nabootsen

Kleuters hebben de drang na te doen wat ze van volwassenen zien. Het hele lichaam is erbij betrokken, tot in de gebaren, de bewegingen gaan ze mee. Je ziet een klein kind moeizaam opstaan uit een stoel en herkent daarin de grootvader. Dat is geen erfelijkheid, dat is nabootsen. Kinderen zijn in deze nabootsing heel goed en dat is belangrijk voor ze, want daardoor leren ze allerlei vaardigheden. Lopen, spreken en denken, kinderen leren het niet als ze geen voorbeeld hebben. Dat wil niet zeggen dat de volwassene iets nadrukkelijk moet gaan vóórdoen zodat kinderen het kunnen nabootsen. Kinderen moet alleen de gelegenheid gegeven worden te kunnen waarnemen. Het werkzaamste is als de volwassene in het gewone leven van alledag, zonder bijbedoelingen, iets doet. Als het op dat moment in zijn ontwikkeling past imiteert het kind dit dan in alle vrijheid. Wat de volwassene doet mag best een keertje fout gaan, daar leren de kinderen net zo goed van. Wat kinderen doen is niet eenvoudigweg het imiteren van wat de volwassene doet, ze gaan er helemaal in mee, ook zielsmatig, ze creëren het als het ware zelf. Interessant is dat Rudolf Steiner heeft gesteld dat er bij de opvoeding altijd op moet worden gelet hoe het leven van het kind zo kan worden ingericht dat het in zijn omgeving goed kan nabootsen. Een kind dat in de eerste zeven jaar de mogelijkheid heeft gehad na te bootsen zal, als het volwassen is, vanuit zichzelf tot hoogsteigen beslissingen en daden komen. Echter, kinderen die nooit het vrije spel hebben gekend worden volwassenen die niet tot vrije handelingen in staat zijn, die alleen hun plicht kunnen doen. Het gaat erom dat kinderen zien hoe dingen ontstaan, gemaakt worden, leren begrijpen dat het allemaal niet vanzelf gaat. Ze doen graag dagelijkse dingen na, bijvoorbeeld in het huishouden, de was ophangen, afwassen, met stoffer en blik iets opvegen, koekjes bakken, het maken van een kast, zelfs als dat laatste slechts neerkomt op het in elkaar zetten van een ‘Billy’!

Speelgoed

Kinderen hebben veel verbeeldingskracht. Het allerkleinste kind is nog zijn omgeving aan het ontdekken door middel van de zintuigen. Dat doet het met handen en voeten, dingen worden beetgepakt en bekeken, hij probeert het in zijn mond te stoppen. Bijna vanzelfsprekend moet, zeker in deze fase, speelgoed van natuurlijke materialen zijn gemaakt, materiaal waaraan het kind iets kan voelen, kan beleven: de gladheid van het hout, de zachtheid en soepelheid van de wol.

Het iets oudere kind (zo vanaf vier jaar) kun je heel simpele dingen geven, lappen, een stuk hout, ze maken er zelf van alles van. De vorm moet juist niet zijn vastgelegd, het moet geen ‘levensecht’ duplicaat zijn, dat is funest voor de fantasie. Kinderen zien in een lap al snel een pop, ze verzinnen van alles. In deze fase is het eerder genoemde nabootsen van groot belang. Volwassenen zijn geneigd als kinderen niet lijken te spelen ze ‘bezig te houden’. Dat schijnbaar vervelen zit echter niet bij de kinderen maar bij de volwassenen, zij zijn gewend met een doel voor ogen ergens aan te werken, kinderen hebben geen doel nodig om fantasievol en zinnig aan de gang te zijn. Het heeft er ook mee te maken dat volwassenen vaak neerkijken op kinderspel, omdat ze zich er niet van bewust zijn hoe belangrijk het is.

Bij het nog wat oudere kind (vanaf zeven jaar) wordt het nabootsen gaandeweg minder belangrijk, ze hebben nu meer de behoefte om gericht bezig te zijn. Ze willen weten hoe dingen werken en halen graag iets uit elkaar. Speelgoed waarbij dat mogelijk is wordt aantrekkelijk, waarbij van belang is dat het niet alleen uit elkaar kan worden gehaald, maar ook weer in elkaar gezet! Speelgoed van kunststof komt nu eveneens in aanmerking.

Sprookjes

De kindertijd kan niet zonder sprookjes. Wie herinnert zich niet hoe sprookjes telkens weer verteld moesten worden en dat je, als er één woord werd overgeslagen, onmiddellijk in opstand kwam. Sprookjes hebben een gezonde invloed op de ontwikkeling van de ziel. Echte, oorspronkelijke sprookjes geven inzichten in het diepste innerlijk van de mens en ze komen op een geschikte manier tegemoet aan de behoefte van het kind aan beelden. Van ongeveer het vierde tot het achtste jaar zijn sprookjes een onmisbare voeding voor de ziel. Het beste is de sprookjes niet voor te lezen, maar beeldend te vertellen, net zoals je je in gesprekken met kinderen van die leeftijd beeldend zou moeten uitdrukken. Maar het is wel zaak je zo goed mogelijk aan de oorspronkelijke tekst te houden. Eigen aanvullingen en ‘verfraaiingen’ slaan het sprookje stuk. De verteller moet het sprookje zo doorleefd hebben dat de vertelling met overtuiging wordt gebracht, anders nemen kinderen het niet aan.

Spelletjes, speelgoed en sprookjes hebben zo hun eigen dynamiek maar ze hebben, als onderdeel van het spelen, met elkaar gemeen dat handhaven van hun essentie, hoe maatschappij en cultuur ook mogen veranderen, noodzakelijk is voor een gezonde ontwikkeling van kinderen naar volwassenheid.

Relevante literatuur

Eerste publicatie op 1 oktober 2005

Antroposana
www.antroposana.nl

print dit artikel...

stuur dit artikel door via email...