Diederick Sprangers
De immer voortdurende discussie over de werkzaamheid van complementaire geneeswijzen kreeg onlangs weer een nieuwe impuls door een wetenschappelijke publicatie in het medische tijdschrift The Lancet. Zwitserse onderzoekers stelden op basis van een literatuurstudie vast dat “de klinische effecten van homeopathie placebo-effecten zijn”. Vele Nederlandse media berichtten erover. Een nadere blik op het onderzoek zelf leert dat het uitermate interessant is - maar niet om de conclusie die de onderzoekers trokken, noch om die welke de meeste media trokken.
De Zwitserse onderzoekers hadden uit de literatuur 110 onderzoeken verzameld waarin het effect van homeopathische behandelingen getest werd tegenover placebo’s. Die hadden ze vergeleken met 110 andere onderzoeken waarin reguliere behandelingen van dezelfde aandoeningen met hetzelfde soort therapeutische doel getest werden tegenover placebo’s. Het effect van de homeopathische behandelingen bleek slechts weinig te verschillen van het effect van de placebo’s, maar het effect van de reguliere behandelingen was wel duidelijk groter dan dat van de placebo’s.
Heel ‘complementair Nederland’ slaakte een diepe zucht: de zoveelste aanval op onze geneeswijzen. De Volkskrant en Elsevier gingen direct uitvoerig in op het fenomeen placebo. Dat verdient eigenlijk steeds meer respect, legde vooral de Volkskrant goed uit. Niet alleen blijkt uit (ander) onderzoek dat placebo’s echt iets teweeg kunnen brengen (zij het minder sterk dan men dacht), maar ook blijken echte medicijnen aanzienlijk minder effectief als ze ongemerkt worden toegediend (bijvoorbeeld via een computergestuurd infuus). Maar de omstandigheden van een placebo-behandeling (hoe ziet de pil eruit, wat zegt de behandelaar erbij) zijn alleen in een laboratorium ondubbelzinnig en reproduceerbaar. In de praktijk, in een ziekenhuis of bij een huisarts, spreken deskundigen daarom liever over een “context-effect” dan over een “placebo-effect”. Men accepteert tegenwoordig dat de condities waaronder een patiënt wordt behandeld en verpleegd, invloed hebben op zijn genezing. Dat is interessant! Elsevier sloot het meteen kort en verving “placebo-effect” door “zelfgenezend vermogen” - zij het op uiterst cynische toon (“homeopathische artsen zijn in zekere zin knapper dan echte artsen, want ze slagen erin om met een middel dat niet werkt, heel veel mensen te genezen, dan wel te helpen”). De homeopathie-patiënt zal zich met gemengde gevoelens afvragen of dit nu een compliment voor de homeopathie is of niet. De beide media trokken echter één conclusie niet: de onderzoekers die hun bevindingen in The Lancet publiceerden, hadden niet moeten speuren naar placebo-gecontroleerde onderzoeken, maar naar onderzoeken waarin een behandeling vergeleken werd met niets doen. Een placebo heeft immers zelf een duidelijk effect.
Voor de complementaire geneeswijzen, inclusief de antroposofie, is het dagende bewustzijn van “de context achter het placebo”, om het zo maar even te noemen, zeker een winstpunt: in vele van deze geneeswijzen wordt immers van oudsher veel meer aandacht aan de benadering van de patiënt geschonken dan in de reguliere geneeskunde. Zelfs minister Hoogervorst - die eerder opmerkte dat homeopaten alleen water voorschrijven - heeft eind vorig jaar gezegd dat reguliere artsen van veel homeopaten kunnen leren hoe ze met patiënten moeten omgaan.
Maar er is meer aan de hand. Een nadere blik op het Lancet-artikel zelf geeft een interessant inzicht in de methode die de auteurs gebruikt hebben. Ze hebben niet alle 220 onderzoeken gebruikt om naar het effect van de behandelingen te kijken, maar alleen die onderzoeken die volgens hen van “hogere kwaliteit” waren. Ze gingen er namelijk vanuit dat de kwaliteit van het onderzoek invloed gehad kan hebben op de conclusies. Zij definieerden ‘kwaliteit’ als volgt: “Onderzoeken die beschreven werden als dubbel-blind, met afdoende randomisering, werden beschouwd als zijnde van hogere methodologische kwaliteit.” Dubbel-blind betekent dat zowel de patiënt als de arts niet weet of de patiënt een echt dan wel een nep-medicijn krijgt. Dit kan nog extra gegarandeerd worden door de patiënten die een nep-medicijn krijgen, op volkomen willekeurige wijze te selecteren uit de patiëntengroep (dus bijvoorbeeld niet alfabetisch). Arts en patiënt kunnen dan met geen mogelijkheid enig verband raden tussen patiënt en medicijn. Dit willekeurige selecteren heet ‘randomiseren’. Een onderzoek van goede kwaliteit is dus, voor de auteurs van dit artikel, een onderzoek waarin noch de arts noch de patiënt weet of de patiënt een serieus medicijn krijgt of niet; met andere woorden: een onderzoek waarin het verband tussen arts, medicijn en patiënt is ‘doorgeknipt’. Maar dat verband is een essentieel kenmerk van een homeopathische behandeling - net als van een antroposofische behandeling! Het gaat bij beide geneeswijzen niet alleen om de ziekte, maar ook om de individuele kenmerken van de patiënt, om de persoon die hij of zij is. Daarop wordt het medicijn ook afgestemd, niet alleen op de ziekte.
De Zwitserse auteurs vonden onder de 110 homeopathie-onderzoeken er slechts 21 die aan hun omschrijving van voldoende kwaliteit voldeden; slechts 9 van de 110 reguliere onderzoeken doorstonden de toets. Met deze twee groepen gingen ze verder; hierover schrijven ze: “In beide groepen vertoonden de kleinere onderzoeken en die van lagere kwaliteit meer heilzame behandelings-effecten dan de grotere onderzoeken en die van hogere kwaliteit.” Met andere woorden: hoe kleiner het onderzoek (minder patiënten) of hoe ‘lager’ de ‘kwaliteit’ van het onderzoek, hoe groter het geconstateerde effect van de behandeling. Vanuit het inzicht dat de relatie arts - medicijn - patiënt relevant is, is dat misschien te begrijpen: patiënten in een kleinere groep kunnen minder het gevoel hebben dat ze slechts een nummer zijn. En in een onderzoek van ‘lagere kwaliteit’ is de ‘blindheid’ minder goed gegarandeerd, dus de kans dat arts en patiënt wisten of het medicijn serieus was, is groter: ook dat kan bijgedragen hebben aan goed contact tussen arts en patiënt en kan dus het effect van de homeopathische behandelingen vergroot hebben. Hetzelfde geldt overigens voor de reguliere behandelingen, want daarvoor gold deze conclusie ook!
Eigenlijk is er nog een relevant punt: het onderzoek richtte zich enkel en alleen op het effect van het materiële medicijn. Dat is natuurlijk de reden dat geprobeerd werd, elke invloed van de arts en de patiënt op het effect van de behandeling uit te sluiten. Maar dat is natuurlijk ook al in strijd met het homeopathische paradigma dat de relatie arts - medicijn - patiënt relevant is. Uit al het voorgaande volgt, dat de onderzoekers niet gerechtigd waren, conclusies te trekken over de effectiviteit van homeopathische medicijnen, omdat ze dit paradigma niet respecteerden. Eigenlijk is de conclusie uit hun onderzoek, dat de relatie arts - medicijn - patiënt relevant is voor het effect van een medicijn. En dit geldt niet alleen voor homeopathische, maar óók voor reguliere medicijnen. Ze tonen immers aan dat het effect van een medicijn kleiner blijkt te zijn, naarmate de relatie arts - medicijn - patiënt sterker buitengesloten wordt. Als arts en patiënt echt niet weten of het medicijn serieus is, kun je net zo goed een nep-medicijn geven: dan is het effect hetzelfde - ongeacht of het nu om een homeopathisch of een regulier medicijn gaat.
Eerste publicatie op 1 oktober 2005