Internist Karel Jan Tusenius
over uitdaging en bedreiging van manipulatie in de geneeskunde
'De eerste transplantatie van een baarmoeder bij een vrouw in Saoedi-Arabië is wat artsen betreft gelukt, maar de ontvangster van het donororgaan heeft er weinig plezier van gehad. De baarmoeder moest drie maanden na de transplantatie wegens problemen met de doorbloeding weer worden verwijderd'. Een bericht in de krant van d.d. 7 maart jongstleden. Vetgedrukt. Ruim vijftig jaar experiment met baarmoedertransplantaties ging aan deze zogenaamd gelukte operatie vooraf.
Lange tijd werd het voor onmogelijk gehouden: de transplantatie van een baarmoeder. Inmiddels is het een nieuwe loot aan de reeks van orgaantransplantaties die de afgelopen decennia werkelijkheid werd. Zijn transplantaties zoals van nieren, hartkleppen en hoornvlies inmiddels dan ook ingeburgerd, technisch lijkt onze maakbaarheid nog alsmaar toe te nemen. Hoe gaan we daar als individu mee om? Wat vinden we maatschappelijk en menswaardig wenselijk?
Hierover in gesprek met Karel Jan Tusenius, als internist werkzaam op de praktijk Berg en Bosch in Bilthoven, blijkt zijn houding tegenover deze materie gekenmerkt te worden door terughouding, uitdaging en last but not least: zijn ervaring in de praktijk van alledag. Tusenius: Je kunt heel gemakkelijk in allerlei gedachtes tot een oordeel komen, maar dat is maar één kant van de zaak: het denken van de mens. Ik heb zoveel vooraanstaande mensen gezien die gezegd hebben dat ze als ze eenmaal een bepaalde ziekte kregen ze er niks mee wilden. Als ik ze dan jaren later in hun pyjama terugzie zijn het opeens heel andere mensen geworden die zeer aan het leven hangen. Dat is geen veroordeling. Ik heb dat geprobeerd te zien als iets dat blijkbaar zo is."
"Orgaandonatie is een onnatuurlijke manipulatie waar het lichaam zich tegen blijft verzetten. Bij een transplantatie wordt een levend orgaan uitgenomen, vervolgens in een bijna-dood-toestand gebracht, gekoeld en van bloed ontdaan. Het wordt tot een bijna, niet helemaal want dan zou het dood zijn, fysiek instrument teruggebracht. Dat koude instrument wordt ingezet bij de acceptor. Aanvankelijk gaat dat met heftige immunologische afstoot en nee-gebaren gepaard.
In de antroposofie wordt gesproken van krachten die vanuit de organen werken. Het is het dan ook heel gek om opeens een vreemd orgaan in je lichaam te krijgen. Ik denk dat je aanvankelijk met een orgaan te maken krijgt dat nog veel van die hogere invloeden heeft van de vroegere donor. Dan heb je dus inderdaad een vreemd lichaam in je lichaam waar heel terecht je immuniteit zich tegen verzet. Maar wat je ziet is dat er na verloop van tijd toch een soort aanpassing optreedt. Langzaam maar zeker krijgen de hogere sturende ik-krachten van de ontvanger ook greep op dat nieuwe orgaan. Dat is althans de enige manier waarop ik kan begrijpen dat een aantal transplantaties op langere termijn wel goed blijft gaan. Na verloop van een aantal weken of maanden worden de bloedvaten van zo'n nieuw orgaan van binnen met endotheel van de patiënt bekleed. Stoot de ontvanger aanvankelijk zijn nieuwe instrument af, tegelijkertijd zie je dat hij moeite doet er een verhouding toe te vinden. Vaak lukt dat ook wel. Toch worden mensen met een getransplanteerd orgaan voor alle zekerheid vaak levenslang met immuniteitsverlagende middelen behandeld om afstoting te voorkomen.
Het inzetten van vreemde organen blijft een rare kunstgreep", aldus Tusenius. "Dat is de reden, waar je ethisch ook weer allerlei ideeën over kunt hebben, dat er toenemend geprobeerd wordt ofwel in dieren of in mensen met genmanipulatie organen aan te maken. De dieren die hierop gekweekt worden, transgene dieren genaamd, stralen een heel lage immuniteitsprikkel uit. Hun organen veroorzaken minder afstotingsreacties. Dit lost dus een groot deel voor de nazorg van de patiënt wel op, maar wel heb je hierbij natuurlijk het idee: ik loop hier met een dierenhart in m'n lijf. Het zijn xenotransplantaties…. een volgende stap."
"Ik denk dat orgaandonatie een uitdaging is. Maar ik kan natuurlijk niet ontkennen dat er ook bedreigende kanten aanzitten. Maar wij leven in een tijd waarin dit soort dingen technisch mogelijk zijn. Je krijgt er mee te maken. Het is heel gemakkelijk om vanuit algemene antroposofische menskundige achtergrond daar allerlei ideeën over te hebben, maar als je een kind hebt of een partner of het betreft jezelf met een in beginsel dodelijke aandoening en je weet dat met weliswaar een truc die onvermijdelijkheid kan worden opgeschoven of in een aantal gevallen zelfs kan worden opgeheven, dan kun je, denk ik, niet zeggen dat dit een fenomeen is dat je aan je voorbij kan laten gaan. Doordat we in een tijd leven die dit mogelijk maakt hebben we er mee te maken of we willen of niet."
Onvermijdelijk dus. Tusenius wijst er wat dit aangaat op dat we ons in deze tijd ook als antroposofen niet kunnen isoleren. "Dat hebben we de afgelopen halve eeuw wel gedaan. Ik zie daar, erop terugkijkend, meer schade van dan dat het ons goed heeft gedaan. Ik denk dat het nieuwe denken binnen de antroposofie zou moeten zijn: kritisch allerlei maatschappelijke en medische ontwikkelingen blijven volgen. Je er niet voor afsluiten. Integendeel, er praktisch over nadenken. Misschien er ook negatieve beelden over ontwikkelen. Dat is allemaal prima."
Al eerder in zijn verhaal stelde hij nadrukkelijk dat de ander in dit alles vrijlaten bij hem voorop staat. Behalve positieve en negatieve kanten goed belichten wil hij ook zoveel mogelijk meedenken wanneer een patiënt met meer fundamentele vragen komt: "Ik denk dat je als arts goed informatie moet verschaffen op een aantal niveaus. Op de niveaus die de patiënt vraagt, of zelfs op het niveau waar de patiënt op dat moment niet bewust aan toe is. Maar je mag nooit zover gaan dat je daarin tendentieus gaat worden."
Hij haalt in dit verband een andere vorm van manipulatie aan: chemotherapie. " Bij mensen die absoluut geen chemotherapie willen bij kanker maar dat toch door de druk van de omgeving, de druk van de dokter of de druk van de familie min of meer gedwongen ondergaan zie je vaak meer bijwerkingen en een voortijdig staken van de behandeling dan bij mensen die het toch met een zekere positiviteit tegemoet zien. Als mensen er echt zelf voor kiezen zijn ze veel beter bestand tegen tegenvallers. Ik denk dat dat met orgaandonaties niet veel anders zal zijn. Omdat mensen vaak zo dolgraag dat gedoneerde orgaan willen hebben nemen ze een heleboel ellende daarna van kwaliteitsverlies door medicatie dan toch maar min of meer voor lief."
Fundamenteel in de discussie blijft wel dat bij chemotherapie het lichaam, eenmaal door zo'n crisis gekomen, soms door die therapie weer in staat is de zelfregulatie op te pakken. De situatie na een gedoneerd orgaan heeft een ander beloop: lang, vaak levenslang blijft het lichaam het moeilijk vinden om zich met die lichaamsvreemde substantie uiteen te zetten."
Is iemand desondanks op fysiek niveau deze gemanipuleerde situatie doorgekomen, over de invloed die dit op de hogere wezensdelen heeft vertelt Tusenius: "Als mens hebben we een aantal aggregatietoestanden. We zijn niet helemaal fysiek. Net niet. En we zijn ook niet helemaal spiritueel. We zijn niet helemaal immaterieel, want voor al onze gedachtes en creativiteit hebben we toch ook de stoffelijkheid nodig. Dus hangen we in een spanningsveld tussen het net niet helemaal fysiek zijn en het ook net niet helemaal geestelijk zijn. Dat is ook de reden dat wij als mensen tussen die aarde onder ons, die fysiek is, en die kosmos boven ons, die helemaal niet fysiek is, als een soort vertaalslag zweven. Met alle problemen van dien. Maar het is ook een verantwoordelijkheid naar die twee kanten toe.
Je zou kunnen zeggen dat in wat wij in ons lichaam onze lichamelijkheid noemen, toch in hoge mate een afdruk van onze meer geestelijke mogelijkheden liggen. In de antroposofie wordt hier natuurlijk gebruik van gemaakt. Krijg je opeens door een manipulatie een ander erfmateriaal of een andere fysieke substantie dan kan het haast niet anders dan dat onze meest regisserende kern, het ik, daar ook op een bepaalde manier mee om zal moeten gaan. Bij getransplanteerde organen zie je zoiets al. Daar komt opeens een stuk fysiek-etherische substantie van een donor in een ik-organisatie. Die ik-organisatie zal daar met zijn immuniteit, wat ook een ik-functie is, op reageren. Dat zal straks op genetisch materiaal heel anders zijn. Dat zal niet zozeer een grofstoffelijke afstoting zijn zoals we die bij onze huidige manipulatie kennen.
Het kan haast niet anders dat daar ook een ik-reactie, wat in feite een aanpassing is, op de nieuwe toestand gaat plaats vinden. Waarschijnlijk buiten de immuniteit om. Het zal veel minder makkelijk waarneembaar zijn. Misschien moet je er veel banger voor zijn. Een immunologische reactie met afstoting van het orgaan is wel heel vervelend, maar nog redelijk onschuldig. Maar als in je hogere wezensdelen heel onzichtbare veranderingen onherroepelijk gaan plaats vinden door een veranderde fysieke substantie dan weet ik niet wat dat op langere termijn gaat betekenen."
Toch zegt hij niet alleen maar wanhopig te zijn over dat genetisch gemanipuleer. Hij ziet ook het hele relatieve ervan omdat ons genetische patroon niet volledig bepalend is voor hoe wij als mens zijn. "Dat patroon, het hebben van erfelijke eigenschappen geeft een aantal randvoorwaarden aan. Verder is de persoonlijke ontwikkeling van die mens van groot belang. Als je geboren wordt als iemand met een grote neus zal, tenzij je dat gaat opereren, die neus groot blijven. Maar daar kunnen twee mensen heel verschillend mee omgaan. Het gaat uiteindelijk om de combinatie van die twee dingen samen: het al dan niet gemanipuleerde genetische enerzijds en anderzijds de capricieuze wijze waarop een mens zijn biografie gaat doen. Misschien leidt genetisch materiaal op de andere wezenslagen ook tot weer een heel andere, misschien wel een hele nieuwe verfrissende, reactie. Ik denk dat de mens in hoge mate manipuleerbaar is op één van de niveaus maar omdat het een menselijk organisme is zal als je links een deuk maakt er rechts iets gaan veranderen…Op het moment dat je iets gaat doen verandert er in het hele fijne evenwicht van de mens iets. Dat is alleen maar goed en tegelijkertijd dan ook een klein beetje mijn vertrouwen in het geheel."
Geen angst dus, wel terughouding bij Karel Jan Tusenius als internist, als mens wanneer het gaat over orgaandonatie en gentechniek. Of het in iemands individuele biografie kan passen vindt hij moeilijk en tendentieus om te beantwoorden. Om zich kijkend naar mensen die allerlei vormen van transplantaties hebben ondergaan, ziet hij daar zeker mensen bij die zelf vinden dat het hun biografie verrijkt en in ieder geval verlengd heeft. Vanuit antroposofisch mensbeeld kan hij alle kromme tenen meebeleven en meevoelen en zal het zelf zolang mogelijk van zijn lijf houden. Maar hij kan niet uitsluiten dat er een moment komt dat hij er toch in mee gaat. Levend in een tijd waarin de maakbaarheid van de mens lijkt toe te nemen stelt hij die maakbaarheid helemaal niet zo belangrijk te vinden: "Het is meer, hoe ga je als individu met die toegenomen maakbaarheid om."
Dit interview van Corrian Hukema werd oorspronkelijk gepubliceerd in Evenwicht, jrg. 3 nummer 2