John Hogervorst
Mensen willen zo lang mogelijk leven en zeker als dat kan met een redelijke gezondheid. Niet verwonderlijk dus, dat het streven naar gezondheid verregaande vormen aanneemt.
"Je leeft maar één keer", wordt er vaak gezegd en dat betekent dan: dus neem het ervan, geniet van wat het leven te bieden heeft. Maar hoe ziet dit er uit als we niet één maar vele malen leven?
Leven na de dood? Veel mensen weten het niet. "Nooit is er nog een teruggekomen." Binnen de Christelijke traditie leeft nog het beeld van de hemel waar je na je dood terechtkomt als je hebt geprobeerd 'goed' te leven. Voor degenen die daar niet om malen is er de hel, een plek van eeuwige straf.
Natuurwetenschappelijke denkbeelden hebben het beeld van hemel en hel teruggewezen: na de dood is er het grote niets. Hemel en hel zijn daarmee een kwestie van geloven geworden. Wie dat wil kan en mag erin geloven. Maar wie wil weten zal, volgens 'de wetenschap', moeten zeggen: "na de dood houdt alles op".
Des te opmerkelijker is het dat af en toe in de krant te lezen valt dat een groot deel van de mensheid, wereldwijd gezien zelfs de meerderheid, tòch meent dat er na de dood 'iets' is. Hindoeïsme, Islam, Boeddhisme en andere overtuigingen: alle veronderstellen dat de mens meer is dan de stof waaruit zijn lichaam is gebouwd. De mens is meer dan zijn lichaam, de mens is ook een geestelijk wezen en dat geestelijke wezen blijft na de dood voortbestaan - dat is voor alle religieuze overtuigingen een gegeven. In enkele van deze religieuze tradities wordt ervan uitgegaan dat de mens niet één maar meerdere levens op aarde beleeft, dat de mens reïncarneert.
Dat is niet zo 'eng' als sommige mensen wel denken. Is het bijvoorbeeld niet ook zo dat we iedere dag, na een nacht geslapen te hebben, weer wakker worden? Waar waren we toen we sliepen? De nacht wordt ook wel 'de kleine dood' genoemd. Vanuit de reïncarnatiegedachte zou je kunnen zeggen: een heel mensenleven is als één enkele dag in het leven van de mens. Na de dag komt de nacht en na de nacht komt weer een nieuwe dag. Met andere woorden: na een mensenleven volgt een lange nacht, het leven na de dood, en daarna begint met de geboorte in een nieuw leven weer een nieuwe dag.
Deze vergelijking gaat natuurlijk niet helemaal op. Want als we
morgenochtend wakker worden hebben we vandaag - en de voorgaande dagen
en jaren - nog in onze herinnering. Terwijl de meeste mensen doorgaans
geen herinneringen hebben aan voorgaande levens.
Over reïncarnatie is veel gezegd en geschreven. Wie zich erin wil
verdiepen zal daarover vast en zeker het materiaal kunnen vinden. Ook
de antroposofie beschouwt de mens als een zich reïncarnerend wezen en
voor ons is hier de vraag: wat zou het betekenen voor het omgaan met
ziekte en gezondheid als we werkelijk meerdere levens op aarde
doormaken?
Als de mens meerdere incarnaties op aarde doormaakt betekent dat, dat er niet alleen een vorm van leven na de dood is, maar ook een leven voor de geboorte. De geestelijke kern van de mens, zijn Ik, maakt na de dood een ontwikkeling door in een andere wereld dan de zintuiglijk waar te nemen wereld, laten we het noemen: de geestelijke wereld. Tijdens die ontwikkelingstocht door de geestelijke wereld treedt altijd weer het moment op dat ons Ik weer begint te verlangen naar een leven op aarde. Als mens op aarde kunnen we van alles meemaken, ervaren of ontwikkelen dat in de geestelijke wereld níet meegemaakt kan worden en daarin ligt het verlangen naar een volgende incarnatie. Levenservaringen, levensproblemen, alles wat een mens in het leven op aarde ontwikkeld heeft, wordt tijdens de ontwikkelingstocht van dood naar volgende geboorte verwerkt. Daaruit vormt zich dan het 'levensplan' voor het volgende leven op aarde. Dat plan is natuurlijk geen blauwdruk waarin alles van tevoren bepaald is. Het geeft een richting aan, een levensdoel dat het Ik zich kiest, met inbegrip van ontwikkelde én nog te ontwikkelen kwaliteiten. Zo kiest het nog ongeboren Ik, bij een normale gang van zaken*, zich de uitgangspositie voor het nieuwe leven: het zoekt het ouderpaar waaruit het geboren wordt en treedt daarmee binnen in de erfelijksheidsstroom waaruit het fysieke lichaam voor het komende leven wordt gevormd.
Dat fysieke, aardse lichaam is het instrument dat de basis vormt voor het werken aan het levensplan. Maar als mens op aarde zijn we nog meer dan lichaam en Ik. Ons lichaam bestaat, zoals ook de natuurwetenschap ons zegt, uit aardse 'stof' maar is alleen een levend lichaam omdat we ook een etherlichaam hebben. Het etherlichaam is een samenspel van krachten dat ons fysieke lichaam in leven houdt en is onder meer werkzaam in de adem, de hartslag en de ritmes van de organen. Het etherlichaam wordt ook wel vormkrachtenlichaam genoemd, omdat het ook de krachten van het etherlichaam zijn die ons lichaam vormen. Wanneer een mens sterft, maakt het etherlichaam zich los van het fysieke lichaam en daarmee treedt het verval van het dode lichaam in.
Naast fysiek lichaam, etherlichaam en Ik bestaat het menselijk wezen nog uit een ander lichaam: het zogenaamde astraallichaam. Het astraallichaam verbindt ons Ik met ons fysieke- en etherlichaam. In het astrale lichaam leven onze begeerten en gevoelens en ook onze vermogens om te denken, te voelen, te willen. Het astraallichaam is als het ware het innerlijk toneel waarop wij het leven, de wereld ervaren. Ons Ik is onze geestelijke kern. Het is "een geestelijk wezen, onvergankelijk en op weg om te leren hoe het uit vrijheid het goede kan doen".** Het Ik is het deel van de mens dat zich reïncarneert, dat lering trekt uit onze ervaringen op aarde en dat ieder nieuw leven op aarde begint met een levensplan dat steeds een stapje is op weg naar "hoe het uit vrijheid het goede kan doen".
Vanaf de geboorte verloopt de normale ontwikkeling van een mens zo dat, terwijl het fysieke lichaam naar volwassenheid groeit, het etherlichaam, het astrale lichaam en het Ik zich stapsgewijs en in toenemende mate verbinden. Het etherlichaam verbindt zich met het fysieke lichaam, het astraallichaam met het etherlichaam en het Ik met het astraallichaam. Daarmee wordt 'het instrument' dat het Ik zich voor dit leven heeft uitgezocht gevormd, ontwikkeld en verfijnd. Het fysieke lichaam, dat uit de erfelijke stroom voortkomt, wordt steeds meer tot het 'eigen' lichaam - dat dienstbaar is aan de intenties van het Ik.
Daarnaast, en dat duurt zolang als een mens op aarde leeft, plaatst het Ik, dat een hogere wijsheid bezit dan wij zelf weten, ons steeds in situaties waarin we de ontwikkelingsmogelijkheden kunnen vinden die ons levensplan bevat. Dat zijn overigens vaak hele moeilijke situaties, die bieden immers de meeste 'leerstof'. Dat kunnen bijvoorbeeld situaties zijn die te maken hebben met onze verhouding met andere mensen, maar ook met vragen rondom ziekte en gezondheid. We kunnen ernstig ziek worden, we kunnen geboren zijn met een ziekte of een ontwikkelingsstoornis, we kunnen een ongeluk krijgen.
Het besef kan ontstaan, maar vast niet zonder een grote innerlijke worsteling, dat in ons een geestelijke kern leeft (ons Ik) die van incarnatie naar incarnatie gaat, die vóór onze geboorte met een gerichte bedoeling besluit om weer een leven op aarde door te maken; dit kan een steun zijn bij dergelijke moeilijke situaties. Vanuit een wijsheid die groter is dan de wijsheid die in ons dagelijks bewustzijn leeft, heeft ons Ik voor dit leven een doel, een richting gekozen.
Dit is een heel teer onderwerp. Wie zo naar vragen over ziekte en gezondheid probeert te kijken zal ongetwijfeld te horen kunnen krijgen: "Oh, dus het is allemaal je eigen schuld!". Maar begrippen als 'schuld' of 'boete' zijn hier, voor wie werkelijk tot het wezenlijke wil doordringen, niet op hun plaats. Het zijn de begrippen van ons alledaags bewustzijn, niet die van een hogere wijsheid. Alle moeilijkheden die ons in het leven 'treffen' passen op de lange weg naar een volledig mens-zijn, die door vele levens op aarde voert. Juist in het omgaan met die grote moeilijkheden maken we vorderingen op die weg. Het is de weg die ons Ik gekozen heeft om onszelf tot een waar mens te 'maken'.
Wat betekent deze grove schets nu voor het omgaan met ziekte en gezondheid?
Allereerst moeten we vaststellen dat daarop eigenlijk geen antwoord te geven is, althans: geen antwoord dat algemeen geldig is. De grote levensvragen die in ons leven rondom ziekte en gezondheid kunnen spelen zijn immers altijd individuele vragen. Ze hangen samen met ons leven, ons levensdoel, het levensplan van ons Ik.
Een 'probleem' bij dit alles is dat we, zodra we geboren zijn, ons levensplan niet kennen. De vraag "waarom moet mij dit overkomen?", een vraag die bijvoorbeeld bij een ernstige ziekte zeker op zal komen, kan ons wel helpen om een vermoeden van dit levensplan te wekken. Ook, vanaf een zekere leeftijd, het terugkijken naar onze eigen biografie, naar de 'kruispunten' in ons leven, naar de richting die achteraf zichtbaar kan worden uit de keuzes die we gemaakt hebben, brengt ons dichterbij een besef van het levensplan.
Daaruit kàn voortkomen dat we in concrete situaties ook de zin kunnen zien van datgene 'dat ons overkomt' - al geldt hier natuurlijk bij uitstek: dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Maar het is ook zo dat, wanneer we werkelijk in het leven kunnen staan met een besef dat ook ernstige dingen die we meemaken een zin kunnen hebben, deze dingen al wat draaglijker kunnen worden.
Dit betekent niet dat we alles wat ons overkomt passief moeten ondergaan en er lijdzaam in moeten berusten, hoewel 'berusten' trouwens ook een hele bewuste en actieve keuze kan zijn. Nee, alles wat we ons eigen kunnen maken aan levensinzicht leidt niet noodzakelijkerwijs tot een bepaalde keuze; het biedt ons 'alleen' een basis waarop we onze keuzes kunnen maken.
* "bij een normale gang van zaken", dat wil hier zeggen: zonder
ingrepen door de mens. In hoeverre bijvoorbeeld het gebruik van
voorbehoedsmiddelen, abortus of reageerbuisbevruchting e.d. deze
"normale gang van zaken' beïnvloeden is een vraag.
**Citaat uit: De eerste zeven jaar, Edmond Schoorel, Zeist 2000.