Merken we hoe sterk ons leven wordt beïnvloed door het ritme van de seizoenen?
De uitbundigheid van de zomer trekt ons naar buiten. De herfst zorgt voor geleidelijk meer verstilling. Met Sint Maarten en kerst branden we lichtjes. Bij de overgang naar het nieuwe jaar verlichten we de hemel met vuurwerk. De winter brengt ons meer binnenshuis en dichter bij onze innerlijke wereld. We zijn ons meer bewust van gezamenlijkheid of juist het ontbreken ervan. De eerste sneeuwklokjes worden door menigeen als beloftevol ervaren. Ze roepen een verlangen op naar het nieuwe leven in de natuur, naar het langere licht.
Licht raakt vele aspecten van ons leven en werkt in op ons geestelijk en lichamelijk welbevinden. Wanneer we ons kunnen afstemmen op het meer en mindere licht en op dat wat de natuur ons in elk jaargetijde biedt, geeft dat kracht en evenwicht. Wanneer een te veel aan licht wordt ervaren kan het organisme verstoord en uit balans raken, bij een tekort aan licht eveneens.
Dat wat we licht noemen is een onzichtbaar iets dat met zijn aanwezigheid alles zichtbaar maakt. Fotonen, lichtdeeltjes, zijn niet te lokaliseren. Hoezeer ook onderzocht in de natuurkunde, licht blijft in tegenstelling tot massieve elementaire deeltjes als elektron en neutron, ongrijpbaar.
Het zonlicht bevat alle kleuren van het spectrum van rood via oranje, geel, groen, blauw tot violet. Onder normale omstandigheden vormen deze kleuren gezamenlijk wit licht.
Lichtstralen volgen een rechte baan door lucht van gelijkmatige dichtheid. Wanneer ze door water of door ijs worden afgebogen, splitsen de kleuren zich. ’Lichten aan de hemel‘, zoals de regenboog, hebben de mens altijd geïmponeerd. Om die te kunnen aanschouwen is het oog nodig. Je zou kunnen zeggen dat onze wereld verlicht wordt door twee lichten: het licht van de zon dat beantwoord wordt door het licht in de ogen. De verbinding tussen deze twee maakt dat we kunnen zien. Het menselijke oog is geëvolueerd onder invloed van de zon, zoals er in lichtloze wateren vissen zwemmen zonder ogen.
Goethe zei het zo: “Zou het licht alleen maar bestaan voor zover het wordt gezien? Nee, u zou zelf niet bestaan wanneer het licht u niet zag!”
Het doorgronden van het mysterie licht heeft de mens door alle tijden heen bezig gehouden. Elke oude cultuur heeft zijn ontstaan en geschiedenis beschouwd als een samenspel van het goddelijke en het wereldse. Afbeeldingen van het licht waren een weergave van het goddelijke, een manier om de geest uit te beelden.
Mythologieën van oude beschavingen zijn rijk aan verhalen over de zon, de maan, sterren, het vuur, de regenboog en het noorderlicht. Hindoes, maya’s en azteken structureren de tijd in zonneperiodes. Zij leggen nadruk op de visuele waarneming. Zicht en kennis werden met elkaar geassocieerd. Nog onlangs werd het unieke tijdsbesef van de Aymara-indianen in de Andes onderzocht. Zij situeren de ongeziene toekomst achter hun rug en het heden en verleden in de zichtbare ruimte voor hen.
Sinds de opkomst van de moderne wetenschap in de 16e en 17e eeuw zijn de opvattingen ten aanzien van de gecombineerde fysieke en spirituele oorsprong van de wereld, geleidelijk van elkaar losgeraakt. De wetenschap ‘trekt’ immers lichaam en geest uit elkaar. De nadruk kwam te liggen op astronomie en fysica en de materialistische bestudering van plant en dier en later mens. Het was Goethe die inzag dat naast het uitwendige licht en een oog voor het zien, een innerlijk licht was vereist. Zodat de simpele gewaarwording kon worden omgezet in een betekenisvolle. Hij, en later Rudolf Steiner, zouden de bezieling terugbrengen in de wetenschap.
Licht is voor Goethe verbonden met het leven. De regenboog weerspiegelt niet alleen het zonlicht, maar ook het menselijke streven en handelen. Wanneer we de aard van het licht willen kennen, moeten we volgens hem naar de ‘handelingen en gebaren’ ervan kijken, zoals het karakter van een mens valt af te lezen aan zijn handelingen en gebaren. Die stelt Goethe gelijk met kleuren. Kleuren noemde hij de daden en het lijden van het licht. Kleuren zijn voor hem verheven zintuigelijke ervaringen. Licht is vormend. Onder invloed van licht groeien planten en werd het oog gevormd. In zijn fenomenologie benadrukt Goethe het belang van zelftransformatie, de mens is volgens hem in een voortdurend proces van zelfvorming. Naast het ziende oog heeft de mens het licht van de intelligentie en de verbeeldingskracht tot zijn beschikking. Dat betekent, bijvoorbeeld, dat de innerlijke beleving van de kleur rood net zo goed deel van de ervaring is als dat rood rood is. Door weloverwogen interactie met de wereld kan de mens zich diepgaand vormen.
Om de spirituele dimensie van het licht aan te geven, gebruikte Rudolf Steiner de beginregels van het evangelie van Johannes: “In het Woord was het leven en het leven was het licht der mensen.” Alles wat we zien is volgens Steiner een belichaming of beeld van die goddelijk-spirituele realiteit, de Logos (het Woord – ML).
“In zijn zuiverste vorm verschijnt dit uiterlijke fysieke lichaam van de Logos allereerst in het gewone zonlicht.’ En: ‘… Als wij niet alleen het lichaam van de zon, maar ook de geest van de zon vermogen te begrijpen, dan is dit geestelijke, deze geest de liefde die omlaag stroomt naar de aarde… met het fysieke zonlicht stroomt de warme liefde van de godheid naar de aarde.”
De spirituele hierarchiën uit het vroege christendom, zoals engelen en aartsengelen, bestaan wezenlijk volgens Steiner. Engelenscharen zijn over enorme tijdsperiodes geëvolueerd, in samenhang met de spirituele evolutie van de mens. Zij beschikten over een innerlijke morele wereld die net als de onze vol was van leven en strijd. Volgens Rudolf Steiner zijn de morele realiteiten van de engelen sindsdien ‘wereldgedachten’ geworden. Het fysieke licht dat ons omgeeft is de rest van een oude morele wereld, bevolkt door engelenwezens.
Datgene wat innerlijk was, wordt uiterlijk. De morele wereld in onze zielen zal zo eens het licht of de duisternis van een toekomstige evolutionaire fase van de kosmos worden. Dat gegeven legt op ons de verantwoordelijkheid voor de latere lichtende wereld.
Goethe benadrukte het moment van inzicht en de zelfvorming van de mens. Via gedisciplineerde oefening en dagelijkse inspanning kan de natuur verinnerlijkt worden en kunnen nieuwe geestelijke vermogens gerealiseerd worden. Steiner beschrijft hoe het geestelijke in een natuurverschijnsel ontdekt kan worden. Bij de meditatieve verwerking van de waarnemingen duiken dan, vaak pas na lange tijd, innerlijke beelden op. In elk verschijnsel, plant, dier enzovoort, drukt zich een uniek geestelijk beeld uit, een oerbeeld, dat zijn oorsprong heeft in de ‘oerbeeldenwereld’. Deze oerbeeldenwereld leeft ook in de mens en brengt daar het menselijk organisme en de ziel voort. Dit houdt in dat elk oerbeeld van een fenomeen zijn pendant heeft in de mens. In zichzelf als microcosmos vindt de mens de hele macrocosmos terug. Zo kan men langs deze meditatieve weg, die Steiner de weg van de imaginatie noemt, vinden hoe bijvoorbeeld een kleur met de mens en zijn organisme verbonden is.
Licht kan niet benaderd worden zonder aan duisternis te denken. Kan (zie hiernaast: Winterdepressie) weinig licht een winterdepressie tot gevolg hebben, in onze geïndustrialiseerde wereld is er eerder sprake van overbelichting. Kunstlicht als TL, neonverlichting, beeldschermen bepalen onze leefsfeer. Wilfried Nauta beschrijft in de brochure ‘Het wezen van kunstlicht’ de aard van de verschillende soorten kunstlicht. Overvloedig en willekeurig gebruik van allerlei soorten kunstlicht kan zeer nadelig zijn voor de gezondheid, stelt hij. Kleine kinderen, verstandelijk gehandicapten of zieken zouden beschermd moeten worden voor storende zintuiglijke belevingen, zoals teveel licht of licht van slechte kwaliteit (!).
Onder meer uit onderzoek aan de universiteit in Wageningen is bekend hoe het bioritme van dieren verstoord kan worden onder invloed van een overmaat aan kunstlicht. In de VS werd onderzoek gedaan naar het hormoon melatonine dat onze slaap-waakritmes regelt, maar ook tumorgroei blijkt te remmen. Dat vrouwen in geïndustrialiseerde landen vijf maal zo vaak borstkanker ontwikkelen dan vrouwen in onontwikkelde landen wordt in verband gebracht met te weinig duisternis in de nachtelijke uren. Milieu-organisaties vestigen de aandacht op het bijzondere van donkere nachten en het belang ervan voor natuur en mens. De omhullende kant van duisternis is een noodzakelijke kwaliteit die voor een groot deel verloren dreigt te gaan in onze ‘lichtvervuilde’ wereld. Denk aan het schemeruurtje, de weldadige geleidelijke overgang van dag naar avond.
Rudolf Steiner heeft de kleurenleer van Goethe uitgewerkt en anderen, zoals
kunstenares en therapeute Liane Collot d’Herbois (zie kader Badtherapie met
gekeurd licht), hebben hierop voortgebouwd. Licht en duister zijn niet los van
elkaar te zien.
Onze cultuur met haar gewoontes, scholing en versnelling kan ons (in)zicht
beperken. Als mens leven we gefragmenteerd tussen deel en geheel, maar ook
tussen duisternis en verblindend licht. De gewaarwording van de relaties tussen
licht en duisternis brengen kleur, zegt Goethe. Door de werking van het licht in
de duisternis (bij zonsopgang en zonsondergang) en de duisternis in het licht te
zien (de blauwe lucht overdag) ervaren we ‘de daden en het lijden’ van het
licht. Op deze manier kunnen wij het oerfenomeen beleven, tot inzicht komen. Het
is een ervaring van eenwording.
Door via herhaalde oefening de natuur te verinnerlijken kan het moment van
inzicht een moment van openbaring, van ‘samenvallen’ worden, die voert tot
nieuwe mogelijkheden van de ziel en tot persoonlijke groei. Onderzoek,
kunstzinnige oefening en contemplatie kunnen evenzo steeds weer tot nieuwe
‘openbaringen’ en inzichten leiden. Zo wordt de levensweg verlicht en steeds
veranderend ‘bijgeschenen’.
“Onze hele bezigheid in dit leven is het herstellen van de gezondheid van het
oog van het hart waarmee we God zouden kunnen aanschouwen”, zo zei de kerkvader
Augustinus het.
Eerste publicatie op 1 januari 2007