Een fragment uit
waarin Rainer Patzlaff ingaat op de werkingen van het beeldscherm op de ontwikkeling van het kind.
Als we de gekleurde afdruk van bijvoorbeeld een schilderij bekijken, dan kijken we eveneens naar duizenden kleine rasterpunten. Die behouden echter, terwijl de blik erop valt, onveranderd hun kleurkracht, helderheid en scherpte. Nu stellen we ons een reproductie voor die tot iets onherkenbaars
verbleekt, zodra we ernaar kijken. De ogen kunnen doen wat ze willen, maar steeds als zij een bepaald punt willen fixeren, zijn daar juist de rasterpunten die zich in het niets oplossen. Zo kun je alleen maar een wazige indruk krijgen.
In precies zo'n situatie verkeren de ogen voor de televisie: waarheen zij ook kijken, steeds weer verliezen zij de grip op het beeld. Alleen staan we hier voor het curieuze verschijnsel dat de blijvende rasterpunten die het oog tevergeefs op het beeldscherm zoekt zich op het netvlies instellen, echter met verregaande uitschakeling van de eigen activiteit van de ogen. Daarbij komt een volledige stilstand van de accommodatiebewegingen, dus van elke draaiing van de oogbollen, waarmee de kruishoeken tussen de gezichtsassen steeds opnieuw aan de veranderende afstanden wordt aangepast. Dat is bijvoorbeeld bij een theatervoorstelling nodig om de verschillende ver van elkaar verwijderde personen en coulissen scherp te zien. Bij tv kijken blijft de afstand tot het beeldscherm steeds gelijk en zo wordt de eenmaal ingestelde houding van de ogen onbeweeglijk vastgehouden, zolang de blik op het scherm blijft gericht.
Wat gebeurt er echter als de moeite om af te tasten voortdurend tevergeefs is en het rasterbeeld zich ook zonder aftasten op het netvlies instelt? De anders zo levendige oogactiviteit is zinloos geworden en zwicht voor een sterke passiviteit. De blik verstart tot de bekende televisieblik. Niet ten onrechte heeft de volksmond het apparaat dat tot zo’n tegennatuurlijke kijkhouding dwingt, de "kijkkast" genoemd. Toch is het een vergissing te denken dat het staren naar de tv een zwakte van de kijker is; de starende blik wordt door de techniek, waarmee het tv. toestel beelden voortbrengt, vanaf het eerste moment afgedwongen en niemand kan zich aan deze dwang onttrekken.
Vanzelfsprekend zet de tv-kijker zich af tegen zulke inzichten, omdat hij op zich helemaal geen veranderingen opmerkt en zichzelf als altijd volledig vrij en actief ziet. Helaas bewijzen de tot nu toe beschikbare onderzoeken echter het tegendeel.
Een Amerikaanse studiegroep onderzocht in 1979 het aantal saccaden [zigzag-oogbewegingen] bij het televisie kijken en stelde een enorme vermindering van de oogactiviteit vast. Gedurende 15 minuten tv. kijken (een Hollywood-show) vonden bij alle proefpersonen in een tijdsduur van 20 seconden slechts 5 tot 7 saccaden plaats. Vergeleken met de 2 tot 5 saccaden per seconde bij het vrij om je heen kijken in een natuurlijke omgeving (wat in 20 seconden een frequentie van 40 tot 100 saccaden zou opleveren) betekent dat een teruggang van gemiddeld 90%.
Een verdere aanwijzing voor aanzienlijk verminderde activiteit voor de tv. blijkt uit de wijdte van de pupillen die in het onderzoek als indicator voor de graad van hersenactiviteit ("cordiale activering") en wakkerheid wordt gezien. Rossiter vond in 1980 bij het vertonen van dezelfde films in dezelfde beeldgrootte en lichtsterkte een “opmerkelijk geringere pupilopening” als de film niet met projector op een linnen doek, maar op een beeldscherm werd vertoond. Voor het overige dwingt het tv kijken al uiterlijk tot een dubbele reductie van de natuurlijke zintuiglijke activiteit: ten eerste brengt het de accommodatie van de ogen tot volledige stilstand, aangezien de eenmaal ingestelde afstand tot het beeldscherm tijdens het kijken niet mag veranderen.
Verder wordt het blikveld voortdurend tot een klein onbeduidend segment beperkt. Want bij het normale bekijken van de omgeving beschikken de ogen in het horizontale vlak over een gezichtshoek van 200 graden, waarin deze zich vrij kunnen bewegen. Kijk je daarentegen vanuit de gebruikelijke afstand naar het tv. scherm van gemiddelde grootte, dan vernauwt het waarnemingsveld zich 6 tot 7 graden, wordt dus met 97% gereduceerd. Zelfs een boek biedt het oog bij het lezen nog een vijf keer zo groot veld. En in de resterende 6 tot 7 graden heeft het oog, zoals we zagen, niet eens de vrijheid zich naar eigen believen te bewegen.
Als de oogactiviteit bijna het nulpunt heeft bereikt, dan gaat de starheid van de ogen op het hele lichaam over en zelfs kinderen, die plezier aan bewegen hebben, zitten urenlang stil. Artsen noemen het blokkering van de beweging - een grove bagatelliserende formulering, waarbij je je kunt afvragen of hier gedachteloosheid of bewuste misleiding in het spel is. Want het probleem ligt toch niet in het stilzetten van de spieren, maar in het stilzetten van de wil die de spieren stuurt.
De
bevroren blik. De fysiologische werking van het beeldscherm en de ontwikkeling
van het kind.
Rainer Patzlaff
Uitgeverij Kamerling, 127 blz., € 14,00
Eerste publicatie op 1 april 2005