"Uit voeding komen levenskrachten vrij, die je gebruikt. Die levenskracht, dat is het 'eigene' van de wortels, de kaas, van datgene wat we eten. De eiwitten, koolhydraten en vetten moet je tot zulke kleine stofjes verteren dat ze geen 'eigenheid' meer hebben en dat jij ze kunt gebruiken. Je neemt niet rechtstreeks goede eiwitten in je lichaam op, dat zou geen mens kunnen." Aldus Rya Ypma.
Ofschoon de 'levenskracht' een spiritueel begrip is, werd ze enkele eeuwen geleden ook nog erkend door de natuurwetenschap. Men noemde haar 'vis vitalis' (Latijn voor levenskracht) en zag er het levenschenkende principe in, dat de stoffelijke lichamen van planten, dieren en mensen opbouwt. Nadat het in de negentiende eeuw lukte om natuurlijke stoffen langs synthetische weg na te maken en allerlei nieuwe chemische stoffen te produceren, verloor men het geloof in de 'vis vitalis'. Sindsdien hoopt de natuurwetenschap te kunnen aantonen hoe het leven uit de stof ontstaat, terwijl spirituele stromingen – zoals de antroposofie – het leven zien als iets wat uit de geestelijke wereld ontstaat en zich verenigt met de stof (die ook uit de geest ontstaat).
Maar hoewel de natuurwetenschap de levenskracht niet meer erkent, is wat Rya zegt, ook in het stoffelijke proces te herkennen. In de voedingsstoffen die we binnenkrijgen, vooral in de eiwitten, maar ook in de koolhydraten en vetten, is nog te herkennen of ze van een tomaat, van brood of van rundvlees afkomstig zijn. Hun structuur is 'eigen' aan hun bron van herkomst.
Daarom zijn die stoffen niet onmiddellijk geschikt om ons lichaam uit op te bouwen: ze zijn nog teveel sla, teveel kaas of appel. Wij moeten er mens van maken. Eerst breken we ze af, daarna bouwt ons lichaam uit de brokstukken zijn eigen stoffen op: het bouwt zichzelf op uit de verteerde resten van onze voeding. In de mond, maag en darmen vindt de eerste, grove afbraak plaats: van de eiwitten tot aminozuren, van koolhydraten tot monosacchariden (zoals glucose en fructose) en van de vetten tot vetzuren. De brokstukken (aminozuren, monosacchariden en vetzuren) gaan door de darmwand heen en komen in ons bloed. Het bloed vervoert ze naar de lever, waar het verteringsproces verdergaat: in de levercellen worden de aminozuren e.d. afgebroken tot nog kleinere stofjes.
Pas dan is de appel ontdaan van haar eigenheid en zijn we als mens vrij om onze eigen stoffen op te bouwen. Die opbouw begint ook in de levercellen. De eerste bouwstenen voor ons lichaam die we maken zijn weer aminozuren, monosacchariden en vetzuren. Die worden door het bloed naar alle andere organen gebracht. Daar worden ze samengevoegd tot de menselijke eiwitten, koolhydraten en vetten waaruit het betreffende orgaan is opgebouwd. De appel is mens geworden.