De rode draad in de antroposofische behandeling van kanker
Corrian Hukema
De cijfers van de WHO zijn confronterend: in 2007 stierven bijna acht miljoen mensen aan kanker. Eén op de acht vrouwen in Nederland heeft borstkanker. Op het Herfstcongres over Kanker dat in november plaatsvond was dr. Orange één van de sprekers. “Voor de meest voorkomende kankervormen is de behandeling niet verbeterd”, stelde hij. Wel is veertig procent te voorkomen door gezonder te eten en door betere levensomstandigheden.
Tijdens dit Herfstcongres werd, in voordrachten en vele workshops, de actuele situatie van het onderzoek naar de misteltherapie in beeld gebracht en werd een grote diversiteit aan therapieën die binnen antroposofische gezondheidszorg beschikbaar zijn gepresenteerd. Steeds weer blijkt het te gaan om het aanspreken en versterken van het ik.
Wie te horen heeft gekregen dat hij kanker heeft, kijkt in een zwarte vijver. Orange: “Je moet ervan uitgaan dat op het moment van de eerste diagnose de kanker al is uitgezaaid. Het paradigma dat behandeling alle kankercellen kan doden is inmiddels verlaten. Dat lukt nooit. De schade die ermee aangericht wordt is aanzienlijk.
Wat we ter beschikking hebben zijn: chirurgie, adjuvante therapie (radiotherapie, chemotherapie en hormonale therapie), biologische therapie (immuuntherapie, misteltherapie) en enkele zeer specifieke therapieën zoals de moleculaire therapie.
”Niemand weet wat te doen met de tumor die overblijft. Waar is het nog meer?, is de bange vraag. Het is een zware psychologische belasting die tot een enorme toename van het posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) leidt.
Hoe kunnen we weer flonkeringen op het water gaan zien? In 1920 sprak Rudolf Steiner: “Het is mogelijk dat we onze therapie zover brengen dat we het mes van de chirurg niet nodig hebben.” In 1918 was de eerste iscador-therapie gegeven. Inmiddels weten we dat de misteltherapie niet alleen de levenskwaliteit bevordert, maar ook de levensduur verlengt.”
‘Als het ik moet worden aangesproken gaat het om de verticaliteit.’
In de misteltherapie wordt gewerkt met de wetenschap dat koorts de ik-organisatie activeert. Daarmee is misteltherapie als het ware een krachtige vorm van ‘psychotherapie’. Ook andere therapieën kunnen bewerken dat kankerpatiënten zich beter voelen.
In de workshop ‘Medische massagetherapie volgens Volkier Bentinck’ leerden de deelnemers een vanuit een strak ritme aangeboden massagevorm kennen. Kijkend vanuit de drieledigheid van bovenpool, middengebied en onderpool, zet deze polaire therapie sturend in op het scheppen van evenwicht tussen onderpool en bovenpool. Als de onderpool te stevig werkt wordt de massage daar ingezet om die werking terug te dringen. Aan de bovenpool wordt zo de ruimte gegeven om zijn plaats in te nemen. Er kan weer evenwicht ontstaan. Petra Cost Budde, verpleegkundige: “Bij kankerpatiënten staat alles op zijn kop. Dan doe ik heel voorzichtig benenmassage. Daardoor geef je die mensen overzicht.”
Ook het werken met klei kan de ik-krachten in het lichaam versterken. In zijn workshop laat Don van Zantwijk de deelnemers hiervan iets ervaren via een boetseeroefening. Doel van de handeling is om via het therapeutisch proces tot een omvorming, een opstandingsproces, te komen.
Voor deze boetseeroefening is een klein armatuur (geeft houvast en vraagt minder kracht) al voorbereid. Van Zantwijk: “Als het ik moet worden aangesproken gaat het om de verticaliteit.”
De therapeut moet de randvoorwaarden aanbieden; bij patiënten is vaak weinig etherkracht beschikbaar. Er wordt gewerkt aan de hand van een voorbeeld. Van Zantwijk: ”Ik kies bij voorkeur de oervormen van de beeldhouwer Brancusi. Als geen ander geeft hij zijn beelden de herinnering van de oervormen mee. De oervormen zijn in wezen alle kiemvormen waarin het gezonde leven latent aanwezig is. Vaak zijn de oppervlakken in de beelden van Brancusi als een gespiegelde huid. Daaronder is niet het zenuwstelsel maar de scheppende kracht van de warmte ervaarbaar. Het vraagt ik-kracht om het verborgen, helende leven in onszelf te genereren.”
De op kamertemperatuur voorbereide, in kleine stukjes uiteengelegde klei wordt langzaam van onder naar boven om het armatuurtje aangebracht tot er een gesloten gestileerde vorm ontstaat. Bij deze therapeutische benadering is het van wezenlijk belang onderscheid te maken tussen de ‘werkhand’ en de ‘steunhand’. De steunhand blijft de klei tasten, moet inter-esse, tussen-zijn, hebben, en zorgt ervoor dat de vorm naar zijn innerlijke rustpunt terugspiegelt. Van Zantwijk: “De steunhand houdt je ook wakker.” Tussen steunhand en werkhand ontstaat het beeld.
In het volgende nummer van Antroposana meer aandacht voor de antroposofische visie op kanker.
‘Tussen steunhand en werkhand ontstaat het beeld.’
Eerste publicatie op 1 januari 2010