Mieke Linders
Pijn, wie heeft er in zijn leven niet mee te maken? Langer of korter, heftig of dof - pijn kennen we allemaal. Voor die situaties staat ons tegenwoordig een veelvoud aan pijnverlichtende en pijnbestrijdende medicijnen ter beschikking. Deze behoren tot de meest voorgeschreven recepten. De medische belangstelling voor pijn is de laatste jaren toegenomen. De medische wetenschap kent een aparte discipline die zich aan pijn wijdt. Er valt een groei waar te nemen van het aantal (kinder)pijncentra. En toch is pijn een steeds vaker voorkomend symptoom van lijden en ziekte, lichamelijk en geestelijk. Volgens de statistieken lijden 8% van alle mannen en 12% van de vrouwen aan terugkerende hoofdpijn. Ook kinderen hebben hier steeds vaker mee te maken.
Is pijn een verschijnsel dat onderdrukt of bestreden moet worden? Wat wil pijn ons eigenlijk zeggen?
Hoe het was
Pijn vergezelt de mens al gedurende zijn hele evolutie. De manier waarop men pijn beleeft, duidt en bestrijdt is gaandeweg veranderd. In het bijbelse verhaal over Adam en Eva wordt Adam voorspeld dat hij zijn akker zal verbouwen in het zweet zijns aanschijns, terwijl de engel Gabriël Eva vertelt dat zij in smart kinderen zal baren. Moeite en pijn als straf van God? Of laat dit verhaal al iets zien van een samenhang tussen pijn en bewustzijn? Immers Adam en Eva aten van de boom van kennis van goed en kwaad.
Etymologisch gezien is het Nederlandse woord ‘pijn’ verwant met het Griekse ‘poinè’en het Latijnse ‘poena’ wat ‘straf’ betekent. In het oude Mesopotamië en bij de Grieken werd pijn gezien als straf van de goden, die zowel straften als genazen. Hun genezende remedies werden de mens via dromen aangereikt. Magische en religieuze methoden van pijnbestrijding onderscheidden zich destijds nauwelijks van de meer rationele.
De arts in de oudheid stond voor dezelfde problemen als zijn collega vandaag. Toen Rufus van Ephesus in de eerste eeuw n.C. een handboek schreef over het in beeld brengen van de gezondheidstoestand van de patiënt, raadde hij zijn collega’s aan bij pijn door te vragen. In de tweede eeuw n.C. schreef de arts Galenus dat het onmogelijk is om door onderricht de precieze indruk van pijn over te brengen omdat die alleen bekend is aan degenen die de pijn hebben gevoeld. Bovendien, wij zijn niet op de hoogte van welke pijn dan ook voordat we die gevoeld hebben. Seneca, de stoïcijn, geeft argumenten om pijn te verdragen. Deze vertonen opmerkelijk veel gelijkenis met de redeneringen die hedendaagse psychotherapeuten bij de behandeling van pijnpatiënten hanteren. Bijvoorbeeld de betekenis van afleiding en verbeelding, het hebben van vrienden, de rol van vervreemding en de ondermijnende invloed van angst.
In de zeventiende eeuw kwam een omslag in het denken: pijn werd niet langer gezien als een gevolg van het kwaad, het bovennatuurlijke verdween. Het verschijnsel pijn wordt vanaf dan meer mechanisch geïnterpreteerd en vindt volgens deze nieuwe zienswijze zijn grondslag in de werking en de activiteiten van het menselijke lichaam. Pijn ontstaat primair door een zo hevige inwerking op het menselijke lichaam dat de zenuwen beschadigd worden. Via de zenuwen wordt aan de ziel de schade medegedeeld die het lichaam door die inwerking ondergaat. Pijn krijgt een duidelijke rol in een waarschuwingssysteem. De historisch onderbouwde conclusie van L.J.Menges in het boek Pijn en balsem, troost en smart luidt dat het onmogelijk is pijn te bestrijden en de aandoening waarvan pijn het gevolg is te behandelen wanneer men niet op de hoogte is van de totale sociale en culturele context van de patiënt. Bij een pijnbehandeling is een puur somatische aanpak een onmogelijkheid en een integrale benadering een noodzaak.
Soorten van pijn
In de reguliere medische wetenschap worden met name acute en chronische, somatische en psychosomatische pijn onderscheiden. Een acute pijn duurt enkele ogenblikken tot hoogstens enkele dagen en houdt meestal uit zichzelf op. Chronische pijn houdt tenminste een maand aan en stopt niet vanzelf. Het ‘pijngeheugen’ zendt vanuit de pijnlijke plek steeds nieuwe pijn. Dit kan zo ver voeren dat er geen oorzaak meer valt aan te wijzen en toch ‘uit gewoonte’ pijn ontstaat. Somatische pijn heeft een duidelijk lichamelijke oorzaak. Psychogene pijn hangt samen met zorgen, verdriet en depressie.
De antroposofische geneeskunde verklaart pijn uit een verstoorde verhouding tussen ziel en lichaam. Ze onderscheidt vier wezensdelen die lichaam, ziel en geest met elkaar verbinden: het fysieke lichaam, etherlichaam (de levenskracht), het astraallichaam dat de verbinding legt tussen het onbewuste deel van de ziel met het lichaam, en als vierde het ‘ik’, de weerspiegeling van onze geest. Het fysieke lichaam en het etherlichaam gaan van geboorte tot dood een duurzame verbinding met elkaar aan. Het astraallichaam en het ik zijn meer ritmisch en periodiek met de andere delen verbonden. Dit laat zich zien bij de adem die bij het inademen verbindend werkt en bij het uitademen loslatend. Ook bij het dag- en nachtritme van waken en slapen: elke morgen verbindt de ziel zich met het lichaam, om bij het slapengaan samen met het ik het lichaam weer los te laten.
Er zijn veel ritmische processen in het menselijke lichaam die zorgen voor de samenwerking tussen de wezensdelen. Zo laten bloedsuiker, bloeddruk, ijzergehalte, cortisonspiegel enzovoort een daling in de nacht zien en afhankelijk van de lichamelijke, geestelijke en ziele- activiteit een stijging gedurende de dag. Dit 24-uursritme wordt ook het circadiaanritme genoemd. Voorbeelden van andere ritmes zijn de maandelijkse vrouwelijke cyclus en die van de elektrische activiteit in onze hersenen.
De ziel en het ‘ik’ zijn de dragers van ons bewustzijn dat zich manifesteert in het denken, voelen en willen (handelen). Op dit niveau kunnen wij ons door middel van ons lichaam al waarnemend met de buitenwereld verbinden. Door hetzelfde lichaam kunnen wij ons ook naar ziel en geest van onszelf bewust worden. Deze tweeledige verbintenis van ziel en lichaam is van fundamenteel belang bij elk menselijk bewustzijn. De ritmische verbinding tussen de twee ‘lagere’ wezensdelen, het fysieke en het etherlichaam, en de twee ‘hogere’, het astraallichaam en het ‘ik’, is voor elk orgaan, elk weefsel, ieder deel van ons organisme anders. Zo bezien is gezondheid een geheel van processen in ons organisme die zich naar lichaam, ziel en geest ritmisch steeds opnieuw herorganiseren in een bewegend evenwicht.
Pijn treedt nu op wanneer de ziel (het astraallichaam) te diep in het lichaam verankerd raakt. Er ontstaat dan een verscherpt bewustzijn van het lichaam. Zou dit nog verder gaan dan treedt verlamming op. Rudolf Steiner: In elke pijn ligt de kiem van een verlamming. Naast de ‘bewustzijnsbevorderende’ organen, - maag, darm en galblaas - die pijn al snel doen voelen, zijn er de ‘bewustzijnsremmende’ organen als lever en longen die niet snel pijnlijk zijn.
Pijn door gemis (zielepijn)
Overeenkomstig de psychogene pijn kent de antroposofie de pijn waarbij de ziel door een verzwakt of ‘eigenzinnig’ etherlichaam gehinderd wordt in haar samenwerking met de andere wezensdelen. In een gezond evenwicht zal de ziel zich juist graag met het lichaam verbinden. Fysiologisch is dit waar te nemen bij honger en dorst. Zo kan een niet te stillen honger overgaan in pijn of verdriet en pas dan verdwijnen. Een oud spreekwoord zegt: ‘honger en dorst houden lichaam en ziel bij elkaar’.
De pijn die optreedt door gemis kan veroorzaakt worden door veel soorten van verlies en drukt zich vaak uit in rouw. Een extreem voorbeeld van de pijn door gemis is de fantoompijn: pijn in een ontbrekend, geamputeerd, lichaamsdeel. Hoe is dit fenomeen louter fysiek te verklaren, zoals de natuurwetenschap doet? Pijn, de onregelmatige samenwerking tussen lichaam en ziel, geeft aan dat er in het lichaam een ongezond proces gaande is. Ze kan fungeren als een signaal dat helpt ontdekken wat nog verborgen is en in een vroeg stadium mogelijk behandeld kan worden.
Een geestelijk soort pijn die in onze moderne wereld en in de medische wetenschap weinig aandacht krijgt, is de pijn die zich voor kan doen bij een ontwikkelingsgang. Bij deze pijn, die de mens als geestelijk wezen tegenkomt op zijn weg naar zelfverwerkelijking en heelwording, ontmoet het ‘ik’ het lichaam in zijn beperktheid. Geconfronteerd worden met de eigen onvolkomenheden kan pijn tot gevolg hebben. Auguste Rodin gaf deze pijn een gezicht in zijn beeld ‘De Denker’. De vraag rijst of er een samenhang bestaat tussen de in onze tijd toenemende noodzaak aan het verwerven van zelfkennis en de toename van het aantal pijnklachten.
Diagnose en therapeutische uitgangspunten
Zoals Galenus aan het begin van onze jaartelling al opmerkte, wordt pijn aan de arts ‘meegedeeld’. Pijn is niet zichtbaar of meetbaar - nieuwe, exclusieve methoden om veranderingen in de hersenen te meten daargelaten. Er zijn situaties waarbij de pijn lichaam en ziel zodanig beheerst dat ze overduidelijk aanwezig is.
Voor de antroposofische geneeskunde is het nodig dat er methoden worden ontwikkeld die de samenwerking tussen lichaam en ziel redelijk exact kunnen beoordelen. De vragen die daarbij aan de orde komen zijn vragen als: is de ziel op een bepaalde plek te diep het lichaam binnen gedrongen en kan ze zich daar niet goed losmaken (acute pijn)? Blijft ze langdurig met deze plek verbonden (chronische pijn)? Of wordt de ziel juist tegengehouden om een goede verbinding met het lichaam aan te gaan en zich door middel van de adem weer van het lichaam te bevrijden (pijn door gemis)?
Een goede diagnose betekent de sleutel tot de te volgen therapie. Zowel binnen de reguliere als de antroposofische diagnostiek is een goed observerend vermogen van de arts of therapeut van essentieel belang. De diagnostiek bij pijn vraagt ook om een invoelend vermogen en een nauwe betrokkenheid bij de patiënt. Zelf pijn ervaren hebben zal deze kwaliteiten voeden en versterken. Rudolf Steiner zei het ooit als volgt: “Want slechts zwak blijft de geest, wanneer deze alleen in het eigen lichaam het lijden voelen kan”.
In een behandeling zal steeds gestreefd worden om de pijn zo spoedig en goed mogelijk te bevrijden. Maar de manier waarop dit gebeurt moet bewust gekozen worden: betekent de therapie een bedekken van de pijn, een onderdrukken of een werkelijk losmaken, misschien zelfs een overbodig maken? Steeds zal van de individuele vraagstelling van de patiënt worden uitgegaan. Wat wil de pijn (van) deze patiënt zeggen? In het gesprek tussen patiënt en arts of therapeut zal gezamenlijk gezocht worden naar de betekenis die een bepaalde pijn heeft, welk verborgen proces, welke verandering ze ons kenbaar wil maken.
Eerste publicatie op 1 april 2009