Onderzoek antroposofische gezondheidszorg

Erik Baars en Guus van der Bie

Op 16 december 2008 presenteerde Erik Baars, lector Antroposofische Gezondheidszorg van Hogeschool Leiden, de eerste resultaten van praktijkonderzoek binnen het antroposofische gezondheidszorgveld. De onderzoeksresultaten vormen een omvangrijke publicatie met de titel Praktijkonderzoek in de antroposofische gezondheidszorg 2008. De studie markeert een belangrijke stap op weg naar maatschappelijke en wetenschappelijke verantwoording. Vanuit het lectoraat is een kenniskring gevormd van onderzoekers, docent-onderzoekers, antroposofische artsen, therapeuten en verpleegkundigen. Verschillende researchprojecten vanuit deze kring van onderzoekers brengen hun eerste resultaten voor het voetlicht.

Het praktijkonderzoek beweegt zich langs drie lijnen, die hierna kort worden toegelicht:

  1. gezondheid bevorderen;
  2. de professionele ambachtelijkheid van de antroposofische gezondheidszorgmethodieken;
  3. de organisatie van de antroposofische zorgpraktijk als voorwaarde voor optimale zorg.

1. Gezondheid bevorderen

In de antroposofische visie is fysieke gezondheid het resultaat van de lichamelijk georiënteerde zelfregulerende activiteit die voortdurend gericht is op het herstellen van de balans tussen het organisme en de omgeving en het herstellen van de balans tussen deelsystemen in het organisme zelf. Iemand is psychosociaal gezond wanneer hij/zij in staat is om in wisselende omstandigheden zelfstandig te functioneren en betekenisvol richting aan het eigen leven te geven. Deze activiteit is eveneens gebaseerd op gedurende het leven ontwikkelde zelfregulerende vaardigheden.

Antroposofische therapieën zijn primair gericht op het bevorderen van de werkzaamheid van de niet-materiële functionele werkelijkheidslagen, die als werkingsprincipe verantwoordelijk zijn voor het door zelfregulering in stand houden en herstellen van het organisme als psychosomatische eenheid. Het zijn daarmee primair gezondheidsbevorderende therapieën.

Op het individu georiënteerde zorgmethodieken

De antroposofische gezondheidszorg (AG) kenmerkt zich vooral door een situationeel, op het individu georiënteerd handelen. Hiermee wordt bedoeld dat de werker in de gezondheidszorg, op basis van de algemene kennis van zijn of haar vakgebied, de specifieke kennis van de antroposofische werkingsprincipes en therapieën en de context van de actuele behandelsituatie, een interventie-op-maat nastreeft.

Integratie van kennis

De AG moet worden beschouwd als een complementaire, integratieve en niet als een alternatieve gezondheidszorg, omdat zij de kennis voortkomend uit de natuurwetenschappelijk gerichte geneeskunde integreert in die van de antroposofische geesteswetenschap en beide soorten kennis op geïntegreerde wijze vruchtbaar maakt voor de gezondheidszorgpraktijk. Voor vrijwel alle beroepsgroepen geldt dan ook dat de zorgverleners in eerste instantie regulier opgeleid zijn en daarnaast een aanvullende antroposofische, erkende beroepsopleiding hebben gevolgd. Concreet betekent dit dat in de antroposofische gezondheidszorgpraktijk bijvoorbeeld ziektebestrijdende of symptomatische behandelingen naast gezondheidsbevorderende therapieën (kunnen) worden ingezet, algemene diagnoses naast individu-georiënteerde diagnoses (kunnen) worden gesteld, en behandelingen volgens protocol of richtlijn (kunnen) worden uitgevoerd naast interventies-op-maat.

2. De professionele ambachtelijkheid van de antroposofische zorgmethodieken

De beroepspraktijk binnen de AG heeft meerdere niveaus van kennen als basis. Binnen het kader van een wetenschap van gehelen, inclusief Goethes vorm van natuurwetenschap en de antroposofische geesteswetenschappelijke inzichten, ontwikkelt de zorgverlener inzicht in de mens in onderscheidbare organisatieniveaus. Afhankelijk van het gekozen gezichtspunt worden bijvoorbeeld een drieledige organisatie (lichaam, ziel, geest) en een vierledige organisatie (materie, fysiologie, bewustzijn en zelfbewustzijn) onderscheiden. Deze twee organisatievormen doordringen elkaar binnen de functionele eenheid van de mens. Deze functionele eenheid kan ten slotte worden beschouwd als het actieve en zelfregulerende principe dat de verschillende functionele deelaspecten in hun onderlinge samenwerking en afhankelijkheid aanstuurt. Het zelfregulerende principe is het functionele geheel en de onderscheidbare organisatieniveaus vormen ‘het gereedschap’ waarmee deze functionele eenheid van de mens zichzelf schept en organiseert.

Zelfregulatie

Omdat deze functionele eenheid een dynamische aanpassings- en balanswerking heeft, rust daarin ook een mogelijkheid tot een disbalans en ontsporing van de zelfregulatie als oorzaak van ziekte. Zorgverleners kennen het specifieke van deze onderscheidbare niveaus en het geheel en hoe deze zich morfologisch, fysiologisch en pathologisch manifesteren. Mede op grond daarvan ontstaan de inzichten hoe de onderscheidbare niveaus beïnvloed kunnen worden ter bevordering van de normale functie (bij de bevordering van gezondheid) en ter correctie (in geval van functiestoornissen als behandeling van ziekte).

Meerdere niveaus van kennen en het professioneel handelen

In alle vormen van antroposofische zorg neemt het ervaringsleren een belangrijke plaats in. Dit deel van de zorg ontwikkelt zich al doende, zoals dat algemeen gebruikelijk is binnen de zorg. De hiervoor genoemde antroposofische menskundige gezichtspunten leiden echter naast de gangbare tot aanvullende en andersoortige diagnosen, interventies en therapeutische handelingen. Het gaat er om deze uitgangspunten en hun consequenties voor de ambachtelijkheid van de praktijk expliciet te maken, te verantwoorden en ook zichtbaar te maken als bron voor het therapeutisch handelen. Door deze ambachtelijkheid ontstaat een adequate en professionele specialisering van de zorg voor specifieke vormen van pathologie, zoals bijvoorbeeld zorg voor mensen met een verstandelijke beperking of verslavingsvraagstukken. Hierdoor zijn er binnen de AG voor elk type zorg zorgverleners die ambachtelijk professioneel zorg-op-maat kunnen leveren.

Terugkoppeling naar studie

De ervaringen die opgedaan zijn tijdens de ambachtelijke zorgverlening, doen op hun beurt weer momenten van (zelf)reflectie ontstaan bij de behandelaar. Daardoor ontstaat een feedback naar het inzichtelijke niveau. Deze kringloop van inzicht - ambachtelijk handelen - (zelf)reflectie - feedback op inzicht kan worden beschouwd als de levenscyclus van de ambachtelijke professionaliteit. Daardoor komen inzichten, nieuwe ervaringen opgedaan tijdens het behandelen, richtlijnen en protocollen in een continue stroom van verandering en aanpassing aan de werkelijkheid van de te behandelen mens. Algemene kennis, individuele ervaring en een geschoold oordeels- en aanpassingsvermogen vormen de driehoek van de professionele ambachtelijkheid in de AG.

3. De organisatie van de antroposofische zorgpraktijk als voorwaarde voor optimale zorg

Binnen deze onderzoekslijn gaat het om het vinden van optimale organisatievormen die het de professionals mogelijk maken de vereiste aandacht, tijd en kwaliteit die aansluit bij de eigenheid van de antroposofische gezondheidszorg aan de patiënt te kunnen geven. Belangrijke hedendaagse belemmeringen hierbij zijn onder meer de toenemende bureaucratie, de juridisering van de praktijk, de economische beperking van ‘tijd voor de patiënt’ en samenwerkingsproblemen binnen het team.

Eerste publicatie op 1 januari 2009

Antroposana
www.antroposana.nl

print dit artikel...

stuur dit artikel door via email...