Aad Meijer
Nog niet zo lang geleden waren ouders blij wanneer hun kinderen de kinderziekten achter de rug hadden. De meest bekende die een kind moest hebben doorgemaakt waren waterpokken, mazelen, de bof en rode hond. Moeders vonden dat je na je kinderziekten écht tegen een stootje kon. Die manier van kijken naar kinderziekten sluit aan op de antroposofische kijk op kinderziekten. Kinderziekten spelen een belangrijke rol in het proces waarin het opgroeiende kind de erfelijke eigenschappen van de ouderlijke stroom ‘omwerkt’. Een essentieel proces waarin het kind, dat aanvankelijk nog kan teren op antistoffen tegen ziekten die de moeder heeft doorgemaakt, zijn eigen immuunsysteem opbouwt.
Kansen op complicaties zijn aan het licht gekomen en het uitzieken vraagt veel van ouders en werkgevers. Vooral patiënten die op latere leeftijd nog een kinderziekte krijgen, lopen extra risico’s. Het ouderwets oplopen en uitzieken van bijvoorbeeld mazelen in de kinderleeftijd wordt niet in het belang van ouder en kind geacht. De gedachte is dat je zoiets besmettelijks moet bestrijden. Dus gewoon inenten, dan voorkom je nieuwe ziektegevallen die tot een epidemie kunnen uitgroeien. Dat is een duidelijke boodschap.
Laten we mazelen als voorbeeld nemen. Hoe kun je nog anders kijken naar mazelen dan als een vijand? Toen ik met mijn eigen kinderen bij de (antroposofische) huisarts kwam, zei hij dat kinderen (binnen veilige grenzen) “moeten kunnen stoeien met ziekteverwekkers. Of je inent of niet, is de verantwoordelijkheid van ouders”. Mee eens, maar als je kind mazelen oploopt, hoe voorkom je dan risico’s die een gevaar voor het kind kunnen opleveren?
Angst voor de bijwerkingen
Het Rijksvaccinatieprogramma streeft er naar dat zoveel mogelijk kinderen tegen mazelen worden ingeënt. Maar niet iedereen is er zo vast van overtuigd dat vaccineren moet. Wat bezielt die twijfelaars?
Toen deze zomer een mazelengolf uitbrak in Den Haag bleek dat een groot deel van de niet tegen mazelen ingeënte kinderen afkomstig is uit behoudend-christelijke milieus terwijl andere kinderen Vrije Scholen bezoeken. De bezwaren tegen de mazelenvaccinatie kunnen dus van religieuze aard zijn maar er bestaat ook een algemener kritisch gevoel ten opzichte van de manier waarop de reguliere geneeskunde mazelen wil bestrijden. De Vereniging Kritisch Prikken probeert deze groep te mobiliseren. De vereniging maakt studie van de bijwerkingen van vaccinaties en geeft argumenten om ouders een verantwoorde keuze te kunnen laten maken. Soms speelt de publiciteit in op de angst voor bijwerkingen. Zo was er het onderzoek van Andrew Wakefield. Hij meende tien jaar geleden een relatie te hebben gevonden tussen vaccinatie van kinderen tegen mazelen en het ontstaan van autisme en maagdarmproblemen. Kort geleden bleek zijn onderzoek onhoudbaar te zijn. Inmiddels is Wakefield geschorst door de Engelse beroepsvereniging van medici en hebben zijn 10 co-auteurs het artikel uit 1998 officieel teruggetrokken.
Mazelencampagne
De onrust, met name in Engeland en de VS, over de vermeende bijwerkingen van de mazelenprik heeft de immunisatiegraad tegen mazelen sterk doen dalen, in Engeland nam het percentage af van 91 naar 79%. Drie miljoen kinderen hebben hun eerste of tweede BMR-vaccinatie tegen de bof, mazelen en rode hond gemist. Mazelen is in Engeland zelfs endemisch geworden, wat wil zeggen dat de ziekte echt vaste voet aan de grond heeft gekregen. Veertien jaar geleden dacht men de ziekte nog voorgoed de kop te hebben ingedrukt. De Engelse gezondheidsdiensten waren dan ook blij met de uitslag van een Amerikaans onderzoek dat de bevindingen van Wakefield onderuit haalde. Vaccinatie tegen mazelen bleek geen kans op autisme op te leveren of maag-darmklachten te veroorzaken.
De Britse regering heeft een grote campagne aangekondigd die ten doel heeft alle niet-ingeënte kinderen onder de achttien jaar alsnog tegen mazelen te vaccineren. In 2006 en in 2008 is er (in Groot-Brittannië) iemand aan (de complicaties van) mazelen overleden.
Deltaplan
In Nederland wordt gesproken over een Deltaplan voor de bestrijding van infectieziekten.
Dit pleidooi hield prof. Claire Boog in haar oratie 'Gepokt en gemazeld' voor de Universiteit Utrecht. De gedachte erachter is dat ziekteverwekkers wereldwijd een bedreiging voor de volksgezondheid vormen. Zij gaat zich als hoogleraar Ontwikkeling en toepassing van immunomodulatie voor vaccins vooral bezighouden met onderzoek naar het gericht aansturen van de afweer. Vraag blijft of een kinderziekte als mazelen thuishoort in het rijtje van Malaria, SARS, Ebola en Q-koorts.

Wat doet mazelen?
Heeft mazelen krijgen misschien ook zin? Een kind dat ‘mazelt’ is snotterig en krijgt in de loop van enkele dagen lichte koorts en een droge hoest. Op de huid verschijnen bobbelige vlekjes die zich kunnen uitbreiden tot plakkaten. Soms zijn er witte vlekken op het slijmvlies van de wangen te zien. De koorts kan verder oplopen 40 - 41°C. Het kind kan gevoelig worden voor licht; gordijnen moeten dicht. De gelaatsuitdrukking vervaagt.
De antroposofische menskunde ziet in dit proces een omvorming naar een meer individuele verhouding met de eigen lichamelijkheid. Het kind heeft erfelijke eigenschappen van de ouders meegekregen en die moet het ‘omwerken’. Het opgroeien gaat dus hand in hand met het vormen van een eigen persoonlijke balans die samengaat met rijping en volwassenwording. Koorts is daarin een werkzame factor van belang. Het ik van het kind werkt door middel van de warmte sterker in op het organisme dan gewoonlijk. Een kind met koorts moet daarom wél regelmatig drinken om die warmte af te kunnen voeren. Zonodig kunnen voorhoofd en polsen gedept worden met een koele vochtige doek. Citroensokjes kunnen helpen de warmtestuwing naar het hoofd te verminderen.
Wanneer de koorts zijn werk kan doen en niet onderdrukt wordt, lijken gevreesde complicaties als ontstekingen aan het middenoor, long, of hersenvlies minder voor te komen. Toch is het percentage ernstige complicaties bij mazelen met 10% toegenomen sinds de invoering van vaccinatie tegen mazelen. Het lijkt of de mazelen heftiger uitpakken dan vroeger. Dat zou kunnen samenhangen met het vaccineren. Moeders die als kind zelf mazelen hebben doorgemaakt, geven aan hun kinderen antistoffen door en dat gebeurt dus niet wanneer de moeder zelf gevaccineerd was en geen mazelen heeft gehad.
Wat van groot belang is: het kind moet goed uitzieken. Ook zonder koorts nog een paar dagen aansterken voor het weer het gewone leventje oppakt. En daar zit ‘m nog een lastige kneep: hebben de vaders en moeders wel gelegenheid om die zorg en rust te bieden voor hun mazelende kind? Want het kind zal de crèche, de school of naschoolse opvang een tijdje niet kunnen bezoeken. Dat is wel wat anders dan de mazelen afzweren met een prikje.
Conclusie
De reguliere geneeskunde kijkt bij een kinderziekte als mazelen vooral naar het voorkomen en minder naar het genezen. Voor het immuunsysteem van het kind zou het wel eens van het grootste belang kunnen zijn ziekteverwekkers zelf te overwinnen en daarmee een persoonlijke weerstand op te bouwen. Allergiespecialisten hebben al vaak gewaarschuwd dat het immuunsysteem van kinderen in deze tijd te weinig gelegenheid krijgt zich te oefenen aan straatvuil, huisbacteriën et cetera. Mazelen doormaken zou hier mooi bij aansluiten. Een reguliere arts zou de tegenwerping kunnen maken dat ook de mazelenprik het immuunsysteem aanspreekt door middel van een geprepareerd verzwakt virus. Toch is de vraag of het wild-virus niet een veel krachtiger proces teweegbrengt. Door dat virus uit te roeien, ontneem je kinderen wellicht een ontwikkelingskans! Ouders die er zo tegenaan kijken, kunnen een weekend naar Engeland gaan en een mazelenhaard proberen tegen te komen. In de ogen van andersdenkenden vormen zulke mazelaars juist een gevaar voor anderen. Kritische prikkers worden soms met de nek aangekeken: zij brengen de immuniteitsgraad omlaag en creëeren een haard van besmetting.
Ouders en artsen willen op goede gronden zelf afwegen of zij kinderen tegen mazelen en andere kinderziekten wél of niet inenten. Huisarts en consultatiebureau hebben hier een adviserende en begeleidende taak. Tenslotte zou het wetenschappelijk onderzoek zich ook bezig moeten houden met de relatie tussen kansen en bedreigingen van infectieziekten enerzijds en de opbouw van het immuunsysteem anderzijds.
Meer informatie?
Eerste publicatie op 1 oktober 2008