Diederick Sprangers
Wat gebeurt er eigenlijk met een plant die genetisch gemanipuleerd wordt? De biochemische bedrijven die het doen, zoals Monsanto, Pioneer, BASF en Syngenta, doen hun best om ons te doen geloven dat ze alles in de hand hebben: het zou een techniek zijn waarmee we heel nauwkeurig één nuttige eigenschap aan een plant kunnen toevoegen. Critici zeggen echter dat de techniek juist heel onnauwkeurig is en de meest onverwachte effecten kan hebben. Als bewuste burger wil je je graag een eigen mening vormen, maar het is niet voor iedereen weggelegd om er de wetenschappelijke literatuur op na te slaan.
Af en toe komen er berichten naar buiten over ‘onbedoelde effecten’, zoals splijtende stengels bij gentech-soja, minder bladeren bij gentech-aardappelen of allergische reacties van muizen op gentech-erwten. Wat uitbleef was systematisch onderzoek naar het hoe en waarom van dergelijke effecten: wie zet ze op een rijtje en wat moeten we ervan leren? Het bleef altijd bij incidentele berichten; of iemand er consequenties uit trok, hoorde je nooit. Velen roepen dan ook al jaren om nuchter, systematisch onderzoek naar de onbedoelde effecten van gentechnologie. Ik heb die oproep bijvoorbeeld zelf in 2003 gedaan in een rapport van Goede Waar & Co, waarin we de mogelijke gezondheidsschade door het eten van gentech-voedsel natuurwetenschappelijk en juridisch analyseerden.
De afgelopen jaren hebben verschillende wetenschappers gelukkig een begin gemaakt met dergelijk systematisch onderzoek. Hun werk is echter nog niet verder gekomen dan de wetenschappelijke tijdschriften. Voor het eerst zijn er nu echter mensen die niet alleen de wetenschappelijke publicaties over deze effecten bijhouden, maar ze bovendien vertalen in korte teksten die voor een leek redelijk leesbaar zijn en deze meteen ook op internet zetten. Het Amerikaanse Nature Institute, een kleine onderzoeksinstelling in de staat New York, doet dit. Het Nature Institute is in 1998 opgericht om “nieuwe kwalitatieve en holistische benaderingen te ontwikkelen om de natuur en de techniek te zien en te begrijpen”, zoals het in zijn missie formuleert; “wij zijn onderdeel van de natuur. (...) Een fundamentele verschuiving is nodig in de manier waarop we de wereld zien, als we willen bijdragen aan de eenheid van de natuur in plaats van aan haar ontbinding”. Het instituut doet onderzoek, geeft cursussen en publiceert boeken en artikelen. Oprichter en directeur Craig Holdrege is bioloog en filosoof, opgeleid in Amerika en Europa.
Het Nature Institute heeft op internet een databank opgezet van “niet-doeleffecten” van genetische manipulatie. Met deze term worden alle effecten in een plant of in zijn omgeving bedoeld die niet het doel waren van degene die de plant manipuleerde. Omdat de onderzoekers direct uit wetenschappelijke literatuur putten, staan de gegevens niet ter discussie. Ze maken van elk geïnventariseerd artikel een kort verslag dat in de databank te vinden is. Op dit moment bevat de databank 44 van dergelijke verslagen; het instituut breidt de inventarisatie gestaag uit. De databank kan op internet doorzocht worden op de plantensoort, het niet-doeleffect, het doeleffect en of het product al of niet op de markt is. (Veertien van de verslagen gaan over producten die op de markt zijn.) Hiermee voorziet het Nature Institute in nuchtere, feitelijke informatie die voor iedereen beschikbaar is. Het doel van dit project is om de maatschappelijke discussie een productieve impuls te geven en op een nieuw niveau te brengen.
Eén van de onbedoelde effecten die op de webplek na te lezen is, is de aardappel met minder bladeren. In dit geval waren met gentechnologie in vijf aardappel-lijnen verschillende insecticiden ingebouwd, om ze bestand te maken tegen bepaalde insecten. De onderzoekers die dit deden, onderzochten of dit invloed had op het gehalte van andere gifstoffen (glyco-alkaloïden) die van nature in de bladeren van de aardappels voorkomen en die giftig zijn voor andere insecten en zoogdieren. Weliswaar kenden ze geen enkel logisch verband tussen de aanmaak van deze glyco-alkaloïden en de insecticiden die ze zelf inbouwden; maar als de glyco-alkaloïden zouden verminderen, zouden ze natuurlijk van de regen in de drup raken: de ene insectenplaag zou door een andere vervangen kunnen worden. Inderdaad bleken alle vijf aardappel-lijnen een lager glyco-alkaloïde gehalte in hun bladeren te hebben, hoe onverklaarbaar dat ook is. Maar bovendien bleken vier van de vijf lijnen duidelijk minder bladeren te hebben dan ongemanipuleerde aardappels; drie van de vijf hadden ook minder stengels en één had juist meer stengels, waardoor hij er dichter en ruiger uitzag. Hier is dus sprake van drie of vier ‘niet-doeleffecten’ tegelijk. In dit geval waren de onderzoekers er nog van uitgegaan dat genetische manipulatie onbedoelde gevolgen kan hebben, maar ze vonden er meer dan ze verwacht hadden. Geen van de ontdekte effecten konden ze verklaren.
Niet alle ‘niet-doeleffecten’ die het Nature Institute inventariseert, zijn onverwacht. Sommige zijn voorspelbaar, ook al hadden de producenten er (bewust of onbewust) geen rekening mee gehouden. Een voorbeeld hiervan is de toename van een bepaald soort onkruiden door de grootschalige aanplant, in de VS en enkele andere landen, van gentechgewassen die bestand zijn gemaakt tegen glyfosaat, een onkruidverdelgingsmiddel. De bedoeling van deze gewassen (het ‘doeleffect’ van de manipulatie) was om alle onkruid rond die gewassen met één middel (glyfosaat) te kunnen verdelgen, en bovendien het hele seizoen lang met glyfosaat te kunnen spuiten. (Bij ongemanipuleerde planten kun je alleen glyfosaat spuiten voordat ze zelf opkomen; anders gaan ze er zelf aan dood.) Wat ecologen tien jaar geleden meteen voorspelden, gebeurde ook: als de onkruiden op zo’n grote schaal met één middel worden bewerkt, worden ze uit zichzelf ook resistent tegen glyfosaat. Inmiddels is dit bij tien soorten onkruid het geval. Daarnaast worden nog dertien andere soorten onkruid die al een natuurlijke glyfosaatresistentie bezaten maar nog geen probleem op de akkers vormden, nu ook waargenomen op akkers met glyfosaatresistente gentechplanten. Natuurlijk zal dit deze gentechplanten op den duur onbruikbaar maken.
Naast uiterlijke effecten van manipulaties worden ook effecten op het DNA van de plant beschreven. Wat gebeurt er met het DNA als je een nieuw gen inbouwt? Zowel bij de zandraket (een populaire onderzoeksplant) als bij haver beschrijft de databank dat na introductie van een nieuw stuk DNA kleine en grote herschikkingen in het DNA waargenomen zijn. In een toelichtend artikel beschrijft Holdrege dat dit kan leiden tot verlies of verandering van functies van plante-genen.
Holdrege concludeert: “Niet-doeleffecten ontstaan doordat het organisme een hecht geïntegreerd geheel is. (...) Op een bepaalde manier is het paradoxaal dat genetische manipulatie, die discrete, duidelijk afgebakende veranderingen in organismen wil aanbrengen, ons bewuster kan maken van de dynamische, context-afhankelijke aard van het leven. Niet-doeleffecten doen dat. (...) Om succesvol te zijn, moet degene die genetisch manipuleert, het actieve, zich aanpassende en veranderende organisme zoveel mogelijk om de tuin leiden. (...) Het ideaal om het leven te beheersen door genetische manipulatie zoals we een door de mens gemaakte machine beheersen, begint er jammerlijk eenzijdig uit te zien.”
Eerste publicatie op 1 oktober 2008